VSME standaard

VSME — Standaard

Commission Recommendation (EU) 2025/1710 · Nederlands

Dit is een onofficiële weergave van de tekst. De officiële versie vindt u op EUR-Lex.

General

Doel van deze standaard en op welke ondernemingen deze van toepassing is

Het doel van deze vrijwillige standaard is micro-, kleine en middelgrote ondernemingen te ondersteunen bij:
het verstrekken van informatie die zal helpen te voorzien in de gegevensbehoeften van grote ondernemingen die bij hun leveranciers duurzaamheidsinformatie opvragen;
het verstrekken van informatie die zal helpen te voorzien in de gegevensbehoeften van banken en beleggers, waardoor ondernemingen worden geholpen toegang te krijgen tot financiering;
het verbeteren van het beheer van de duurzaamheidskwesties waarmee zij worden geconfronteerd, d.w.z. ecologische en sociale uitdagingen zoals vervuiling, gezondheid en veiligheid van werknemers. Dit zal hun concurrerende groei ondersteunen en hun veerkracht op korte, middellange en lange termijn vergroten; en
het bijdragen tot een duurzamere en inclusievere economie.
Deze standaard is vrijwillig. De standaard is van toepassing op ondernemingen (1) waarvan de effecten niet tot de handel op een gereglementeerde markt in de Europese Unie zijn toegelaten (niet beursgenoteerd). In [artikel 3 van Richtlijn 2013/34/EU] worden drie categorieën kleine en middelgrote ondernemingen gedefinieerd op basis van hun balanstotaal, hun netto-omzet en hun gemiddelde aantal werknemers gedurende het boekjaar.
Een onderneming wordt beschouwd als een micro-onderneming als zij twee van de volgende drempels niet overschrijdt:
een balanstotaal van € 450 000;
een netto-omzet van € 900 000; en
een gemiddelde van 10 werknemers.
Een onderneming wordt beschouwd als een kleine onderneming als zij twee van de volgende drempels niet overschrijdt:
een balanstotaal van € 5 000 000;
een netto-omzet van € 10 000 000; en
een gemiddelde van 50 werknemers.
Een onderneming wordt beschouwd als een middelgrote onderneming als zij twee van de volgende drempels niet overschrijdt:
een balanstotaal van € 25 000 000;
een netto-omzet van € 50 000 000; en
een gemiddelde van 250 werknemers.
Deze ondernemingen vallen buiten het toepassingsgebied van de richtlijn duurzaamheidsrapportering door ondernemingen (CSRD), maar worden aangemoedigd deze standaard te gebruiken. Deze standaard gaat in op dezelfde duurzaamheidskwesties als de Europese standaarden voor duurzaamheidsrapportering (ESRS) voor grote ondernemingen. De standaard is echter evenredig en houdt daarom rekening met de fundamentele kenmerken van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen. Het is micro-ondernemingen toegestaan alleen bepaalde delen van deze standaard te gebruiken, zoals benadrukt in punt 5, a).
Bij de opstelling van deze standaard is zorgvuldig rekening gehouden met de consistentie met de ESRS voor grote ondernemingen en zijn evenredige vereisten vastgesteld. Deze standaard heeft geen wettelijke bevoegdheid, in tegenstelling tot de ESRS voor grote ondernemingen.

Structuur van deze standaard

Deze standaard bestaat uit twee modules die de onderneming kan gebruiken om haar duurzaamheidsverslag op te stellen:Punt 24 hieronder illustreert de beschikbare opties voor het opstellen van een duurzaamheidsverslag aan de hand van deze standaard door een of meer van deze modules te kiezen. Zodra een module is geselecteerd, moet deze volledig worden gevolgd (met de flexibiliteit die op grond van punt 22 is toegestaan); elk informatie-element wordt echter alleen verstrekt wanneer het van toepassing is op de specifieke omstandigheden van de onderneming.
Basismodule: rubrieken B1 en B2 en de basisparameters (B3 tot en met B11). Deze module is de doelbenadering voor micro-ondernemingen en vormt een minimumvereiste voor andere ondernemingen; en
Uitgebreide module: deze module stelt naast de rubrieken B1 tot en met B11 datapunten vast die waarschijnlijk door banken, beleggers en zakelijke klanten van de onderneming zullen worden opgevraagd in aanvulling op de gegevens uit de basismodule.
Het toepassen van de basismodule is een voorwaarde voor het toepassen van de uitgebreide module.
Aanhangsel A, Gedefinieerde begrippen, geeft de definities van de begrippen die in deze standaard worden gebruikt. In de gehele VSME-standaard worden de begrippen die worden gedefinieerd in de begrippenlijst (aanhangsel A), vet en cursief gedrukt, behalve wanneer een gedefinieerd begrip meer dan eens in dezelfde alinea wordt gebruikt.

Beginselen voor het opstellen van het duurzaamheidsverslag (basismodule en uitgebreide module)

Voldoen aan deze standaard

In deze standaard worden vereisten vastgesteld die de onderneming in staat stellen relevante informatie te verstrekken over:
hoe zij op korte, middellange of lange termijn een positieve of negatieve impact op de mens of het milieu heeft gehad en waarschijnlijk zal hebben; en
hoe ecologische en sociale kwesties haar financiële positie, prestaties en kasstromen op korte, middellange of lange termijn hebben beïnvloed of waarschijnlijk zullen beïnvloeden.
De onderneming rapporteert relevante, getrouwe, vergelijkbare, begrijpelijke en verifieerbare informatie.
Afhankelijk van het soort activiteiten dat door de onderneming wordt uitgevoerd, kan de opname van aanvullende informatie (parameters en/of beschrijvende informatie) die niet onder deze standaard valt, passend zijn om informatie over duurzaamheidskwesties te verstrekken die gebruikelijk is in de sector van de onderneming (d.w.z. kwesties die bedrijven of entiteiten die actief zijn in een specifieke sector of op een specifiek gebied doorgaans tegenkomen) of die specifiek zijn voor de onderneming, aangezien dit het verstrekken van relevante, getrouwe, vergelijkbare, begrijpelijke en verifieerbare informatie ondersteunt. Dit omvat de overweging om informatie te verstrekken over broeikasgasemissies van groep 3 (zie de punten 50 tot en met 53 van deze standaard). Aanhangsel B bevat een lijst van mogelijke duurzaamheidskwesties.
De onderneming kan de parameters van de basismodule en uitgebreide modules in voorkomend geval overeenkomstig punt 10 aanvullen met aanvullende kwalitatieve en/of kwantitatieve informatie.

Vergelijkende informatie

De onderneming rapporteert vergelijkende informatie over het voorgaande jaar, met uitzondering van parameters waarover voor het eerst wordt gerapporteerd. De onderneming rapporteert vergelijkende informatie vanaf het tweede rapportagejaar.

Het toepasselijkheidsbeginsel

Bepaalde informatie hoeft alleen in specifieke omstandigheden (2) te worden verstrekt. In het bijzonder specificeren de instructies in welke omstandigheden informatie moet worden verstrekt en welke informatie moet worden gerapporteerd indien deze door de onderneming als “toepasselijk” wordt beschouwd. Wanneer voor een van deze omstandigheden informatie wordt weggelaten, wordt aangenomen dat deze niet toepasselijk is.

Opname van dochterondernemingen in de gerapporteerde gegevens

Indien de onderneming een moedermaatschappij van een groep is, wordt aanbevolen dat zij haar duurzaamheidsverslag op geconsolideerde basis opstelt, met inbegrip van informatie van haar dochterondernemingen.
Indien de moederonderneming haar duurzaamheidsverslag op geconsolideerde basis heeft opgesteld, met inbegrip van informatie van haar dochterondernemingen, zijn de dochterondernemingen vrijgesteld van rapportering.

Tijd en plaats van het duurzaamheidsverslag

Indien een duurzaamheidsverslag wordt opgesteld om tegemoet te komen aan de behoeften van grote ondernemingen of banken die jaarlijks een actualisering nodig hebben, wordt het verslag jaarlijks opgesteld. Indien de onderneming een jaarrekening opstelt, wordt het duurzaamheidsverslag opgesteld voor een periode die overeenstemt met die waarover de jaarrekening wordt opgesteld. Indien specifieke datapunten niet zijn gewijzigd ten opzichte van het voorgaande verslagjaar, kan de onderneming aangeven dat er geen wijzigingen hebben plaatsgevonden en verwijzen naar de informatie die voor dat specifieke datapunt in het verslag van het voorgaande jaar is verstrekt.
De primaire functie van dit verslag is het informeren van feitelijke of potentiële zakelijke tegenpartijen. De onderneming kan besluiten haar duurzaamheidsverslag openbaar te maken. In dat geval kan de onderneming haar duurzaamheidsverslag in een afzonderlijk deel van het bestuursverslag presenteren, indien zij dat heeft opgesteld. Anders kan de onderneming besluiten haar duurzaamheidsverslag als een afzonderlijk document te presenteren.
Om te voorkomen dat dezelfde informatie tweemaal wordt gepubliceerd, kan de onderneming in haar duurzaamheidsverslag verwijzen naar informatie die is gepubliceerd in andere documenten die tegelijk met het duurzaamheidsverslag toegankelijk zijn (3).

Gerubriceerde en gevoelige informatie

Wanneer de verstrekking van de informatie in deze standaard openbaarmaking van gerubriceerde of gevoelige informatie vereist, mag de onderneming dergelijke informatie weglaten. Indien de onderneming besluit dergelijke informatie weg te laten, moet zij bij rubriek B1 vermelden dat dit het geval is (zie punt 24).

Samenhang en verbanden met informatie in jaarrekeningen

Indien de onderneming ook een jaarrekening opstelt, moet de informatie in haar duurzaamheidsverslag volgens deze standaard:
consistent zijn met wat in het jaarverslag voor dezelfde periode wordt gerapporteerd; en
worden gepresenteerd op een wijze die het inzicht in de verbanden met de in de jaarrekening gerapporteerde informatie vergemakkelijkt, bijvoorbeeld door gebruik te maken van passende kruisverwijzingen.

Basismodule

De onderneming rapporteert over haar kwesties op ecologisch en sociaal gebied en wat betreft zakelijke gedrag (samen “duurzaamheidskwesties”) aan de hand van de onderstaande rubrieken B1 tot en met B11.
Indien de onderneming uitgebreidere informatie wil verstrekken, kan zij de parameters vereist voor B1 tot en met B11 ook integreren met aanvullende informatie, door deze uit de uitgebreide module te selecteren.
Aanvullende richtsnoeren voor de rubrieken B1 tot en met B11 worden gegeven in de punten 1 tot en met 144 van bijlage II bij deze aanbeveling.
B1

Grondslag voor het opstellen van informatie

De onderneming rapporteert de volgende informatie:
welke van de volgende opties is geselecteerd:
optie A: basismodule (alleen deze module); of
optie B: basismodule en uitgebreide module;
indien de onderneming informatie heeft weggelaten omdat zij als gerubriceerde of gevoelige informatie wordt beschouwd (zie punt 19), vermeldt de onderneming welke informatie is weggelaten;
of het duurzaamheidsverslag op individuele basis is opgesteld (d.w.z. het verslag is beperkt tot de informatie van de onderneming) of op geconsolideerde basis (d.w.z. het verslag bevat informatie over de onderneming en haar dochterondernemingen);
in het geval van een geconsolideerd duurzaamheidsverslag, de lijst van de dochterondernemingen, met inbegrip van hun geregistreerde adres (4), waarop het verslag betrekking heeft; en
de volgende informatie:
de rechtsvorm van de onderneming;
de NACE-sectorclassificatiecode(s);
het balanstotaal (het totaal aan activa in monetaire eenheden);
de omzet (in monetaire eenheden);
het aantal werknemers in aantal werkzame personen of voltijdequivalenten;
het land waar de primaire bedrijfsactiviteiten en locatie van significante activa zich bevinden; en
de geolocatie van de vestigingen die eigendom zijn, worden gehuurd of worden beheerd.
Indien de onderneming een duurzaamheidscertificering of -keurmerk heeft verkregen, verstrekt zij een korte beschrijving daarvan (met inbegrip van, in voorkomend geval, de instelling die de certificering of het keurmerk heeft afgegeven, de datum en de score).
B2

Praktijken, beleid en toekomstige initiatieven voor de transitie naar een duurzamere economie

Indien de onderneming specifieke praktijken, beleidsmaatregelen of toekomstige initiatieven voor de transitie naar een duurzamere economie heeft ingevoerd, moeten deze worden vermeld. De onderneming vermeldt of zij beschikt over:
praktijken, die in dit verband bijvoorbeeld inspanningen kunnen omvatten om het water- en elektriciteitsverbruik van de onderneming te verminderen, de uitstoot van broeikasgassen te verminderen of vervuiling te voorkomen, en initiatieven om de productveiligheid te verbeteren, alsook lopende initiatieven om de arbeidsomstandigheden en gelijke behandeling op de werkplek te verbeteren, opleiding van het personeel van de onderneming op het gebied van duurzaamheid en partnerschappen in verband met duurzaamheidsprojecten;
beleid inzake duurzaamheidskwesties, ongeacht of deze openbaar beschikbaar zijn, en elk afzonderlijk ecologisch, sociaal of governancebeleid voor de aanpak van duurzaamheidskwesties;
alle toekomstige initiatieven of toekomstgerichte plannen die worden uitgevoerd op het gebied van duurzaamheidskwesties; en
streefdoelen om de uitvoering van het beleid en de vooruitgang die is geboekt bij het behalen van die streefdoelen te monitoren.
Dergelijke praktijken, beleid en toekomstige initiatieven geven samen aan wat de onderneming doet om haar negatieve impact te verminderen en haar positieve impact op mens en milieu te vergroten, teneinde bij te dragen tot een duurzamere economie. Aanhangsel B bevat een lijst van mogelijke duurzaamheidskwesties waarover kan worden gerapporteerd. De onderneming kan voor de rapportering het model in punt 14 van bijlage II bij deze aanbeveling gebruiken.
Indien de onderneming ook over de uitgebreide module rapporteert, vult zij de in het kader van rubriek B2 verstrekte informatie aan met de in rubriek C2 gevonden datapunten.
B3

Energie en broeikasgasemissies

De onderneming rapporteert haar totale energieverbruik in MWh, met een uitsplitsing volgens onderstaande tabel, indien zij de nodige informatie kan vergaren om een dergelijke uitsplitsing te maken:

Hernieuwbaar

Niet-hernieuwbaar

Totaal

Elektriciteit (zoals weergegeven op de energierekening)

Brandstoffen

De onderneming rapporteert haar geraamde brutobroeikasgasemissies in ton CO2-equivalent (t CO2eq), rekening houdend met de inhoud van de GHG Protocol Corporate Standard (versie 2004), met inbegrip van:
de broeikasgasemissies van groep 1 in t CO2eq (uit eigen of gecontroleerde bronnen); en
de locatiegebaseerde emissies van groep 2 in t CO2eq (d.w.z. emissies afkomstig van de opwekking van ingekochte energie, zoals elektriciteit, warmte, stoom of koeling).
De onderneming rapporteert haar broeikasgasintensiteit, berekend door de op grond van punt 30 gerapporteerde “brutobroeikasgasemissies” te delen door de op grond van punt 24, e), iv), gerapporteerde “omzet (in monetaire eenheden)” (5).
B4

Verontreiniging van lucht, water en bodem

Indien de onderneming reeds op grond van de wet of andere nationale voorschriften verplicht is haar emissies van verontreinigende stoffen aan de bevoegde autoriteiten te melden, of indien zij daarover vrijwillig verslag uitbrengt volgens een milieubeheersysteem, maakt zij voor elke verontreinigende stof die zij bij haar eigen activiteiten in de lucht, het water en de bodem uitstoot, de respectieve hoeveelheden bekend. Als deze informatie al openbaar beschikbaar is, kan de onderneming ook verwijzen naar het document waarin deze informatie wordt gerapporteerd, bijvoorbeeld door de relevante URL-link te verstrekken of een hyperlink in te sluiten.
B5

Biodiversiteit

De onderneming vermeldt het aantal en de oppervlakte (in hectare of m2) van de vestigingen die zij in eigendom heeft, huurt of beheert, in of nabij een biodiversiteitsgevoelig gebied.
De onderneming kan parameters met betrekking tot landgebruik (in hectare of m2) vermelden:
het totale landgebruik;
de totale verharde oppervlakte;
de totale natuurgerichte oppervlakte op de bedrijfslocatie; en
de totale natuurgerichte oppervlakte buiten de bedrijfslocatie.
B6

Water

De onderneming moet haar totale wateronttrekking bekendmaken, d.w.z. de hoeveelheid water die binnen de grenzen van de organisatie (of faciliteit) wordt onttrokken; daarnaast moet de onderneming de hoeveelheid onttrokken water op plaatsen in gebieden met grote waterstress afzonderlijk presenteren.
Indien de onderneming beschikt over productieprocessen die een aanzienlijk volume aan water verbruiken (bv. thermische energieprocessen zoals drogen of elektriciteitsopwekking, de productie van goederen, irrigatie van landbouwgrond enz.), moet zij haar waterverbruik vermelden, berekend als het verschil tussen de wateronttrekking en waterlozing uit haar productieprocessen.
B7

Gebruik van hulpbronnen, circulaire economie en afvalbeheer

De onderneming vermeldt of zij de beginselen van de circulaire economie toepast en, zo ja, hoe zij deze beginselen toepast.
De onderneming rapporteert de volgende informatie:
de totale jaarlijkse afvalproductie, uitgesplitst naar type (niet-gevaarlijk en gevaarlijk);
De totale jaarlijkse hoeveelheid afval die wordt omgeleid naar recycling of hergebruik; en
indien de onderneming actief is in een sector die aanzienlijke materiaalstromen gebruikt (bv. productie, bouw, verpakking of andere), de jaarlijkse massastroom van de relevante gebruikte materialen.
B8

Personeel — Algemene kenmerken

De onderneming rapporteert het aantal werknemers in aantal werkzame personen of voltijdequivalenten voor de volgende parameters:
soort arbeidsovereenkomst (tijdelijk of vast);
gender; en
land van de arbeidsovereenkomst, indien de onderneming in meer dan één land actief is.
Indien de onderneming 50 of meer werknemers in dienst heeft, moet zij het personeelsverloop voor de verslagperiode vermelden.
B9

Personeel — Gezondheid en veiligheid

De onderneming rapporteert de volgende informatie met betrekking tot haar werknemers:
het aantal en het percentage te registreren arbeidsongevallen; en
het aantal sterfgevallen als gevolg van arbeidsongevallen en beroepsziekten;
B10

Personeel — Vergoeding, collectieve onderhandelingen en opleiding

De onderneming rapporteert de volgende informatie:
of de werknemers een beloning ontvangen die gelijk is aan of hoger is dan het toepasselijke minimumloon voor het land waarover zij verslag uitbrengen, rechtstreeks bepaald door de nationale minimumloonwetten of door middel van een via collectieve onderhandelingen overeengekomen arbeidsovereenkomst (cao);
de procentuele kloof in de beloning tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers. De onderneming kan deze informatie achterwege laten wanneer haar personeelsbestand minder dan 150 werknemers bedraagt, waarbij zij opmerkt dat deze drempel met ingang van 7 juni 2031 zal worden verlaagd tot 100 werknemers;
het percentage werknemers dat valt onder via collectieve onderhandelingen overeengekomen arbeidsovereenkomsten (cao); en
het gemiddelde aantal uren opleiding per werknemer uitgesplitst naar gender.
B11

Veroordelingen en boetes voor corruptie en omkoping

In geval van veroordelingen en boetes in de verslagperiode maakt de onderneming het aantal veroordelingen en het totale bedrag van de boetes die zijn opgelegd wegens schending van de wetgeving tegen corruptie en omkoping openbaar.

Uitgebreide module

Middels deze module wordt zodanig informatie gerapporteerd dat op een alomvattende manier tegemoet wordt gekomen aan de informatiebehoeften van de zakenpartners van de onderneming, zoals beleggers, banken en zakelijke klanten, in aanvulling op de informatie die via de basismodule wordt verstrekt. De rapportering via deze module weerspiegelt de respectieve verplichtingen van financiëlemarktdeelnemers en zakelijke klanten uit hoofde van relevante wet- en regelgeving. Ook wordt via deze module de informatie verstrekt die de zakenpartners nodig hebben om het duurzaamheidsrisicoprofiel van de onderneming te beoordelen, bv. als (potentiële) leverancier of (potentiële) kredietnemer.
Onderstaande tekst geeft aan welke gegevens in de rubrieken C1 tot en met C9 in aanmerking moeten worden genomen en waarover moet worden gerapporteerd, indien de rubrieken van toepassing zijn op de bedrijfsactiviteiten en organisatie van de onderneming. Wanneer voor een van deze omstandigheden informatie wordt weggelaten, wordt aangenomen dat deze rubriek niet toepasselijk is.
Aanvullende richtsnoeren voor de rubrieken C1 tot en met C9 worden gegeven in de punten 145 tot en met 180 van bijlage II bij deze aanbeveling.
C1

Strategie: Bedrijfsmodel en duurzaamheid — Gerelateerde initiatieven

De onderneming rapporteert de belangrijkste elementen van haar bedrijfsmodel en strategie, met inbegrip van:
een beschrijving van belangrijke groepen aangeboden producten en/of diensten;
een beschrijving van de significante markt(en) waarop de onderneming actief is (bv. business-to-business, groothandel, detailhandel, landen);
een beschrijving van de belangrijkste zakelijke relaties (bv. belangrijke leveranciers, klanten, distributiekanalen); en
indien de strategie essentiële elementen bevat die verband houden met of van invloed zijn op duurzaamheidskwesties, een korte beschrijving van die essentiële elementen.
C2

Beschrijving van praktijken, beleid en toekomstige initiatieven voor de transitie naar een duurzamere economie

Indien de onderneming specifieke praktijken, beleid of toekomstige initiatieven voor de transitie naar een duurzamere economie heeft ingevoerd, die zij reeds in het kader van rubriek B2 in de basismodule heeft gerapporteerd, wordt dit beknopt beschreven. De onderneming kan hiervoor het model in punt 149 van bijlage II bij deze aanbeveling gebruiken.
De onderneming kan het hoogste functieniveau binnen haar personeelsbestand aangeven dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het beleid wanneer dit door de onderneming is vastgesteld.

Aandachtspunten bij rapportering broeikasgasemissies onder rubriek B3 (basismodule)

Afhankelijk van de soort activiteiten die door de onderneming wordt uitgevoerd, kan het rapporteren van een kwantificering van de broeikasgasemissies van groep 3 passend zijn (zie punt 10 van deze standaard) om relevante informatie te verstrekken over de impact van de waardeketen van de onderneming op de klimaatverandering.
Emissies van groep 3 zijn indirecte broeikasgasemissies (met uitzondering van emissies van groep 2) die voortvloeien uit de waardeketen van een onderneming. Hieronder vallen de activiteiten die aan de activiteiten van de onderneming voorafgaan (oftewel “upstream”, bv. aangekochte goederen en diensten, aangekochte kapitaalgoederen, vervoer van aangekochte goederen) en activiteiten die volgen op de activiteiten van de onderneming (oftewel “downstream”, bv. vervoer en distributie van de producten van de onderneming, gebruik van verkochte producten, investeringen).
Indien de onderneming besluit deze parameters te rapporteren, moet zij verwijzen naar de 15 soorten broeikasgasemissies van groep 3 die in de GHG Protocol Corporate Standard (BKG-protocol) zijn vastgesteld en die in de GHG Protocol Corporate Value Chain (Scope 3) Accounting and Reporting Standard zijn gespecificeerd. Wanneer de onderneming verslag uitbrengt over broeikasgasemissies van groep 3, neemt zij significante groep 3-categorieën op (volgens de Corporate Value Chain (Scope 3) Accounting and Reporting Standard) op basis van haar eigen beoordeling van relevante groep 3-categorieën. Ondernemingen kunnen nadere richtsnoeren voor specifieke berekeningsmethoden voor elke categorie vinden in de technische richtsnoeren voor de berekening van emissies van groep 3 (Technical guidance for Calculating Scope 3 Emissions) van het BKG-protocol.
Indien de onderneming bij de rapportering van haar emissies van groep 1 en 2 entiteitsspecifieke informatie over haar emissies van groep 3 verstrekt, presenteert zij deze samen met informatie die vereist is krachtens rubriek B3 — Energie en broeikasgasemissies.
C3

Streefcijfers voor broeikasgasreductie en klimaattransitie

Indien de onderneming streefcijfers voor broeikasgasemissiereductie heeft vastgesteld, rapporteert zij haar streefcijfers in absolute waarden voor emissies van groep 1 en 2. In overeenstemming met de punten 50 tot en met 53 en indien de onderneming reductiestreefcijfers voor groep 3 heeft vastgesteld, verstrekt zij ook de streefcijfers voor significante emissies van groep 3. De onderneming rapporteert met name:
het streefjaar en de streefjaarwaarde;
het basisjaar en de basisjaarwaarde;
de voor de streefcijfers gebruikte eenheden;
het aandeel van de groepen 1 en 2 en, indien verstrekt, groep 3, waarop het streefcijfer betrekking heeft; en
een lijst van de belangrijkste acties die zij wil uitvoeren om haar streefcijfers te verwezenlijken.
Indien de onderneming die actief is in sectoren met een hoge klimaatimpact (6) een transitieplan voor klimaatmitigatie heeft vastgesteld, kan zij daarover informatie verstrekken, met inbegrip van een toelichting over de wijze waarop zij bijdraagt tot de vermindering van broeikasgasemissies.
Ingeval de onderneming in een sector met een grote klimaatimpact actief is en niet over een transitieplan voor klimaatmitigatie beschikt, vermeldt zij of, en zo ja wanneer, zij een dergelijk transitieplan zal vaststellen.
C4

Klimaatrisico’s

Indien de onderneming klimaatgerelateerde gevaren en klimaatgerelateerde transitiegebeurtenissen heeft vastgesteld die bruto klimaatgerelateerde risico’s voor de onderneming met zich meebrengen, moet zij:
een korte beschrijving geven van dergelijke klimaatgerelateerde gevaren en klimaatgerelateerde transitiegebeurtenissen;
bekendmaken hoe zij de blootstelling aan en gevoeligheid van haar activa, activiteiten en waardeketen met betrekking tot deze gevaren en transitiegebeurtenissen heeft beoordeeld;
de tijdshorizonten van geïdentificeerde klimaatgerelateerde gevaren en transitiegebeurtenissen bekendmaken; en
bekendmaken of zij maatregelen voor klimaatadaptatie heeft genomen voor klimaatgerelateerde gevaren en transitiegebeurtenissen.
De onderneming kan de potentiële negatieve effecten van klimaatrisico’s bekendmaken die van invloed kunnen zijn op haar financiële prestaties of bedrijfsactiviteiten op korte, middellange of lange termijn, waarbij zij aangeeft of zij de risico’s als hoog, gemiddeld of laag beoordeelt.
C5

Aanvullende (algemene) kenmerken van het personeelsbestand

Indien de onderneming 50 of meer werknemers in dienst heeft, kan zij de verhouding tussen vrouwen en mannen op managementniveau voor de verslagperiode vermelden.
Indien de onderneming 50 of meer werknemers in dienst heeft, kan zij het aantal zelfstandigen zonder personeel vermelden die uitsluitend voor de onderneming werken, alsmede het aantal tijdelijke arbeidskrachten die worden uitgezonden door ondernemingen die zich voornamelijk bezighouden met “arbeidsbemiddeling en personeelswerk”.
C6

Aanvullende informatie over het personeel — Mensenrechtenbeleid en -processen

De onderneming geeft een antwoord op de volgende vragen.
Beschikt de onderneming over een gedragscode of een mensenrechtenbeleid voor haar eigen personeel? (JA/NEE)
Zo ja, is hierbij sprake van:
kinderarbeid (JA/NEE);
dwangarbeid (JA/NEE);
mensenhandel (JA/NEE);
discriminatie (JA/NEE);
ongevallenpreventie (JA/NEE); of
overig? (JA/NEE — zo ja, gelieve toe te lichten).
Beschikt de onderneming over een klachtenafhandelingsmechanisme voor haar eigen personeel? (JA/NEE)
C7

Ernstige negatieve incidenten met betrekking tot mensenrechten

De onderneming geeft een antwoord op de volgende vragen:
Heeft de onderneming incidenten met haar eigen personeel bevestigd in verband met:
kinderarbeid (JA/NEE);
dwangarbeid (JA/NEE);
mensenhandel (JA/NEE);
discriminatie (JA/NEE); of
overig? (JA/NEE — zo ja, gelieve toe te lichten).
Zo ja, kan de onderneming beschrijven welke acties worden ondernomen om de hierboven beschreven incidenten aan te pakken?
Is de onderneming op de hoogte van bevestigde incidenten waarbij werknemers in de waardeketen, getroffen gemeenschappen, consumenten en eindgebruikers betrokken waren? Zo ja, licht toe.
C8

Ontvangsten uit bepaalde activiteiten en uitsluiting van EU-referentiebenchmarks

Indien de onderneming actief is in een of meer van de volgende sectoren, vermeldt zij de daarmee verband houdende inkomsten uit activiteiten met betrekking tot:
controversiële wapens (antipersoonsmijnen, clustermunitie, chemische wapens en biologische wapens);
de teelt en productie van tabak;
de sector fossiele brandstoffen (kolen, olie en gas) (d.w.z. de onderneming verkrijgt inkomsten uit de exploratie, ontginning, winning, productie, verwerking, opslag, raffinage of distributie, inclusief vervoer, opslag en handel, van fossiele brandstoffen in de zin van artikel 2, punt 62, van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (7)), met inbegrip van een uitsplitsing van de inkomsten uit kolen, olie en gas; of
de productie van chemische stoffen indien de onderneming een fabrikant van pesticiden en andere agrochemische producten is.
De onderneming vermeldt of zij is uitgesloten van EU-referentiebenchmarks die in overeenstemming zijn met de Overeenkomst van Parijs, zoals beschreven in punt 177 van bijlage II bij deze aanbeveling.
C9

Genderdiversiteitsverhouding in het bestuursorgaan

Indien de onderneming over een bestuursorgaan beschikt, rapporteert de onderneming de daarmee verband houdende genderdiversiteitsverhouding.

Voetnoten

  1. (1)Hiertoe worden gerekend: zelfstandigen, ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid en beursgenoteerde micro-ondernemingen.
  2. (2)Bijvoorbeeld, de wettelijke verplichting om specifieke informatie te verstrekken of als specifieke informatie via een milieubeheersysteem al vrijwillig wordt verstrekt.
  3. (3)In een toekomstige onlineversie van de VSME-standaard kan de onderneming in voorkomend geval verwijzen naar in andere documenten gepubliceerde informatie in plaats van naar het duurzaamheidsverslag, door middel van een verwijzing naar die opname. Een dergelijke verwijzing wordt gedaan door het paginanummer van de relevante bron op te nemen, op voorwaarde dat het pdf-formaat van het brondocument ook beschikbaar wordt gesteld in de onlineversie van het hulpmiddel.
  4. (4)Het geregistreerde adres is het officiële adres van de onderneming.
  5. (5)In een toekomstige onlineversie van de VSME-standaard wordt dit automatisch berekend.
  6. (6)Sectoren met een grote klimaatimpact zijn de sectoren vermeld in de NACE-secties A tot en met H en sectie M zoals gedefinieerd in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/137.
  7. (7)Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).