VSME leidraad

VSME — Praktische leidraad

Commission Recommendation (EU) 2025/1710 · Nederlands

Dit is een onofficiële weergave van de tekst. De officiële versie vindt u op EUR-Lex.

Basismodule: richtsnoeren

De richtsnoeren in de volgende afdelingen zijn bedoeld om de toepassing van de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering in de punten 21 tot en met 43 van bijlage I bij de aanbeveling van de Commissie betreffende een vrijwillige duurzaamheidsrapporteringsstandaard voor kleine en middelgrote ondernemingen te vergemakkelijken.
De volgende richtsnoeren zijn bedoeld als onderdeel van een ecosysteem dat ook de ontwikkeling zou kunnen omvatten van ondersteunende handleidingen door de EFRAG, digitale instrumenten en ondersteuning bij de uitvoering (opleidingsactiviteiten, betrokkenheid van belanghebbenden) die tot doel hebben het inzicht in een aantal technische elementen van de richtsnoeren te vergemakkelijken.
Deze richtsnoeren ondersteunen ondernemingen die de basismodule willen toepassen.
B1

Grondslag voor het opstellen van informatie

Bij het rapporteren over de rechtsvorm van de onderneming overeenkomstig de nationale wetgeving op grond van punt 24, e), i), kan de onderneming kiezen uit een van de volgende ondernemingsstructuren:
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;
eenmanszaak;
partnerschap;
coöperatieve vennootschap;
overig (graag toelichten op basis van landspecificaties voor rechtsvormen).
Bij het rapporteren over de NACE-code(s) van de onderneming overeenkomstig punt 24, e), ii), zijn de NACE-codes (Nomenclature statistique des Activités économiques dans la Communauté Européenne) de classificaties van economische activiteiten die in de Europese Unie worden gebruikt. Deze codes vormen een gestandaardiseerd kader voor de indeling van economische activiteiten in sectoren, waardoor vergelijkbaarheid en een gemeenschappelijk begrip tussen de verschillende EU-landen mogelijk worden.
De NACE-code bestaat uit een aantal cijfers (minimaal 2 en maximaal 5), afhankelijk van de mate van specificiteit waarmee de economische activiteit wordt aangeduid. De lijst van NACE-codes is te vinden in het volgende document: Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/137.

Niveau

Identificatiecode

Beschrijving

1

Sectie

Secties worden aangeduid met een alfabetische letter, die 21 algemene economische gebieden definiëren, zoals landbouw, maakindustrie of handel.

2

Afdeling

Afdelingen worden aangeduid met een tweecijferige numerieke code, die een specifieke sector binnen de algemene economische ruimte definieert. Er zijn in totaal 88 afdelingen.

3

Groep

Groepen worden aangeduid met een driecijferige numerieke code (ook rekening houdend met de twee cijfers van de afdeling), die een specifiek gebied binnen de sector definieert. Er zijn ongeveer 270 groepen.

4

Klasse

Klassen worden aangeduid met een viercijferige numerieke code (rekening houdend met de code van afdelingen en groepen), die een specifieke activiteit binnen de groep definieert. Er zijn ongeveer 450 klassen.

Bij het rapporteren over het aantal werknemers overeenkomstig punt 24, e), v), is het voltijdequivalent (vte) het aantal voltijdse functies binnen een onderneming. Dit aantal kan worden berekend door het aantal geplande uren van een werknemer (het totale aantal effectieve gewerkte uren in een week) te delen door het aantal uren van de werkgever voor een voltijdse werkweek (het totale aantal uren gewerkt door voltijdse werknemers). Een werknemer die bijvoorbeeld 25 uur per week werkt voor een bedrijf waar de voltijdse week 40 uur is, vertegenwoordigt 0,625 vte (d.w.z. 25/40 uur).
Het aantal werkzame personen is het totale aantal werknemers van de onderneming dat aan het einde van de verslagperiode of als gemiddelde over de verslagperiode is gerapporteerd.
Bij het rapporteren over het land van de primaire bedrijfsactiviteiten en de locatie van significante activa overeenkomstig punt 24, e), vi) en vii), moet de onderneming deze informatie voor elk van haar vestigingen verstrekken, aan de hand van de onderstaande tabel:

Vestigingen

Adres

Postcode

Stad

Land

Coördinaten (geolocatie)

Statutaire zetel (o.a.)

Magazijn (o.a.)

Industriële faciliteit (o.a.)

De geolocatie van een onderneming zal naar verwachting een waardevol datapunt zijn voor belanghebbenden bij de beoordeling van risico’s en kansen in verband met een kmo, met name met betrekking tot de duurzaamheidskwesties van klimaatadaptatie, water, ecosystemen en biodiversiteit.
De geolocatie wordt verstrekt in ruimtelijke punten voor afzonderlijke eenheden of polygoonpunten die de grenzen bepalen van een grotere vestiging die niet echt een eenheid vormt, zoals een boerderij, mijn of faciliteit. De onderneming kan ook een cluster van punten verstrekken om het betrokken gebied gemakkelijk te kunnen identificeren. De ruimtelijke punten worden verstrekt als coördinaten, met vijf decimalen (bv. 0° 00′ 0,036′′).
Bij het rapporteren over de geolocatie van vestigingen die eigendom zijn of worden gehuurd of beheerd, neemt de onderneming de coördinaten van de vestigingen op in de tabel in punt 73. De onderneming kan webmappingtools gebruiken om de coördinaten te achterhalen van de vestigingen die zij bezit, huurt of beheert. De onderneming kan ook geschikte softwaretools of -platforms gebruiken om de omtrek of het gebied van grotere vestigingen verder vast te stellen.
Met betrekking tot punt 25 kan een duurzaamheidscertificering geregistreerde milieukeuren van een EU-, nationale of internationale regeling voor keurmerken omvatten die overeenstemmen met de hoofdactiviteit van een kmo. De EU-milieukeur heeft bijvoorbeeld betrekking op specifieke producten, zoals textiel en schoeisel, bekleding (bv. houten vloerbedekkingen), schoonmaak- en persoonlijke verzorgingsproducten, elektronische apparatuur of meubels. De onderneming kan de productgroepen en de productcatalogus van de EU-milieukeur raadplegen voor meer informatie.
B2

Praktijken, beleid en toekomstige initiatieven voor de transitie naar een duurzamere economie

Ondernemingen kunnen de volgende template gebruiken om te rapporteren over B2-datapunten.

Beschikt u over bestaande praktijken/beleid/toekomstige initiatieven op het gebied van duurzaamheid die betrekking hebben op een van de volgende duurzaamheidskwesties?

[JA/NEE]

Zijn ze openbaar gemaakt?

[JA/NEE]

Zijn er streefcijfers aan de beleidsmaatregelen gekoppeld?

[JA/NEE]

Klimaatverandering

Verontreiniging

Water en mariene hulpbronnen

Biodiversiteit en ecosystemen

Circulaire economie

Personeel

Werknemers in de waardeketen

Getroffen gemeenschappen

Consumenten en eindgebruikers

Zakelijk gedrag

Indien de onderneming een coöperatie is, kan zij de volgende informatie verstrekken:
de daadwerkelijke zeggenschap van werknemers, gebruikers of andere belanghebbende partijen of gemeenschappen in het bestuur;
de financiële investering in het kapitaal of de activa van entiteiten van de sociale economie, als bedoeld in de aanbeveling van de Raad van 29 september 2023 (met uitzondering van donaties en bijdragen); en
eventuele beperkingen van de winstuitkering in verband met het wederzijdse karakter of de aard van de activiteiten die bestaan in diensten van algemeen economisch belang (DAEB).

Richtsnoeren voor eigen personeel, werknemers in de waardeketen, getroffen gemeenschappen en consumenten en eindgebruikers

Om inzicht te krijgen in de duurzaamheidskwesties die verband houden met sociale en mensenrechten, wordt verwezen naar bijlage B voor een lijst van mogelijke duurzaamheidskwesties. Deze lijst kan helpen vaststellen of het beleid, de praktijken of toekomstige initiatieven gericht zijn op een alomvattende aanpak van negatieve impact op de mensenrechten of dat deze beperkt zijn tot bepaalde groepen getroffen belanghebbenden (bv. werknemers eerder in de waardeketen (“upstream”)). In het kader van deze rapportering kunnen ondernemingen ook aangeven of zij over een procedure beschikken om klachten in verband met de mensenrechten te behandelen.
B3

Energie en broeikasgasemissies

Impact op het klimaat: energieverbruik en broeikasgasemissies

Op grond van de punten 29 en 30 rapporteert de onderneming over haar impact op het klimaat en verstrekt zij informatie over haar energieverbruik en broeikasgasemissies. Deze richtsnoeren voor rubriek B3 vormen geen aanvullend datapunt voor de rapportering zoals beschreven in punt 29 (over energieverbruik) en punt 30 (over broeikasgasemissies), maar herstelt eerder een overkoepelende doelstelling en biedt context voor rubriek B3 van de basismodule.

Energieverbruik

Klimaatgerelateerde impact wordt in belangrijke mate veroorzaakt door energieverbruik. Daarom is het relevant om zowel de hoeveelheid als de soort — bijvoorbeeld fossiele brandstoffen zoals steenkool, olie en gas versus hernieuwbare energie — en de mix van verbruikte energie te rapporteren. Voorbeelden van te rapporteren gegevens over energie zijn het totale energieverbruik, uitgesplitst naar fossiele brandstoffen en elektriciteit. Andere uitsplitsingen kunnen worden gerapporteerd, zoals het verbruik van aangekochte of zelf opgewekte elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Hierna volgt een voorbeeld van de in punt 29 gevraagde informatie.

Verbruik hernieuwbare energie (MWh)

Verbruik niet-hernieuwbare energie (MWh)

Totaal energieverbruik 202(x) (MWh)

Elektriciteit (zoals weergegeven op de energierekening)

300

186

486

Brandstoffen

3

7

10

Indien de onderneming fossiele brandstoffen (bv. aardgas, olie) of hernieuwbare brandstoffen (bv. biobrandstoffen, zoals biodiesel en bio-ethanol) inkoopt om elektriciteit, warmte of koeling voor eigen verbruik op te wekken, moet zij dubbeltelling voorkomen. Derhalve neemt de onderneming de energie-inhoud van de ingekochte brandstof alleen als brandstofverbruik in aanmerking, maar neemt zij haar elektriciteits- en warmteverbruik dat met die brandstof is geproduceerd niet opnieuw in aanmerking en rapporteert zij daar niet opnieuw over. In het geval van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen zoals zonne- of windenergie — en wanneer geen brandstofverbruik nodig is — neemt de onderneming de hoeveelheid opgewekte en verbruikte elektriciteit op als elektriciteitsverbruik.
Image 1

De onderneming compenseert het energieverbruik niet via de opwekking van energie, zelfs indien op de bedrijfslocatie (de vestiging) opgewekte energie wordt verkocht aan en gebruikt door een derde partij; De onderneming vermijdt ook dubbeltelling van brandstofverbruik wanneer zij het verbruik van zelf opgewekte energie rapporteert. Indien de onderneming elektriciteit opwekt uit een niet-hernieuwbare of een hernieuwbare brandstofbron en nadien de opgewekte elektriciteit verbruikt, wordt het energieverbruik slechts eenmaal geteld onder energieverbruik. Het aandeel hernieuwbare energie kan worden berekend op basis van garanties van oorsprong, certificaten voor hernieuwbare energie of elektriciteitssamenstelling zoals vermeld op de elektriciteitsafrekening. De elektriciteitsafrekening kan verwijzen naar de verbruikte elektriciteitseenheden en het percentage van de elektriciteit uit hernieuwbare bronnen specificeren, en kan eruit zien als in de volgende figuur.
Bij het opstellen van de krachtens punt 29 vereiste informatie over het energieverbruik moet de onderneming grondstoffen en brandstoffen uitsluiten die niet voor energiedoeleinden worden verbrand. De onderneming die brandstof als grondstof gebruikt, kan informatie over dit verbruik rapporteren naast de verplicht te rapporteren informatie.

Conversie tussen verschillende energie-eenheden

Ondernemingen moeten hun energieverbruik rapporteren in termen van eindenergie, d.w.z. de hoeveelheid energie die aan de onderneming wordt geleverd, bijvoorbeeld het aantal megawattuur (MWh) aan elektriciteit die is ingekocht van de nutsstoom die is ontvangen van een nabijgelegen industriële installatie of diesel die is ingekocht bij benzinestations. Elektriciteit verwijst expliciet naar warmte, stoom en koeling. Brandstoffen omvatten alles wat wordt verbrand, bv. gas, aardgas, biomassa enz.
In punt 29 wordt MWh aangegeven als de voorkeurseenheid voor het meten van het energieverbruik. In het geval van brandstof of biomassa is een omzetting in MWh nodig voor gegevens die in andere eenheden worden uitgedrukt, zoals de energie-inhoud (bv. kJ, Btu), het volume (bv. liter, m3) of de massa (bv. metrische ton, short ton).
Voor het brandstofverbruik gemeten aan de hand van de massa (bv. hout, steenkool) moet de onderneming:
de calorische onderwaarde (bv. kJ/metrische ton, TJ/Gg) van de brandstof achterhalen (dit kan typisch een waarde zijn die wordt gepubliceerd door betrouwbare bronnen, bv. de IPCC, of die door de leverancier kan worden verstrekt of intern kan worden bereikt);
de netto calorische waarde omzetten in MWh/ton, bijvoorbeeld:1 TJ = 1012 J = 277,78 MWh; 1 Gg = 109 g = 1 000 t;11,9 TJ/Gg = 11,9 * 277,78/1 000 t = 3,31 MWh/ton; en
de energie-inhoud van de massa berekenen, bijvoorbeeld: 1 245 345 t * 3,31 MWh/ton = 4 117 111 MWh.
Voor vloeibare brandstof moeten de ondernemingen:
de volume-informatie omzetten in massa door het volume te vermenigvuldigen met de brandstofdichtheid, bijvoorbeeld:diesel = 4 456 000 l; dichtheid diesel = 0,84 kg/l; 4 456 000 (l) * 0,84 (kg/l) = 3 743 040 kg = 3 743 t;
de energie-inhoud berekenen door de massa te vermenigvuldigen met de netto calorische waarde, bijvoorbeeld: 3 743 [t] * 43 [TJ/Gg] = 3 743 t * 43 TJ/(1 000 [t]) = 160,95 [TJ]; en
TJ omzetten in MWh, bijvoorbeeld: 1 TJ = 1012 J = 277,778 MWh;160,95 [TJ] = 277,78 [MWh/TJ] * 160,95 [TJ] = 44 708 MWh.

Documentatiebron:

Gegevens

Documentatiebron

CDP

Technische nota CDP: Omzetting van brandstofgegevens in MWh.

Broeikasgasemissies

Wat betreft de bruto broeikasgasemissies die voortvloeien uit de activiteiten van de onderneming, bouwt het vereiste in punt 30 voort op de definities en regels van het BKG-protocol, de leidende boekhoudnorm voor broeikasgasemissies. Volgens punt 30 moeten ondernemingen verslag uitbrengen over hun emissies van groepen 1 en 2. Broeikasgasemissies van groep 1 hebben betrekking op directe emissies van eigen of gecontroleerde bronnen. Emissies van groep 2 zijn indirecte broeikasgasemissies die voortvloeien uit de activiteiten van de rapporterende onderneming (zoals deze voortvloeien uit de verbruikte energie van de onderneming) en die echter voorkomen bij bronnen die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van een andere onderneming. Nadere richtsnoeren worden gegeven in de volgende afdelingen over de wijze waarop emissies van groepen 1 en 2 moeten worden berekend.
Emissies van groepen 1 en 2 kunnen in het volgende formaat worden gerapporteerd.

BKG-emissies 202(x) (t CO2e)

Groep 1

45

Groep 2

6

Totaal

51

Het BKG-protocol is een wereldwijde standaard voor het meten, rapporteren en beheren van broeikasgasemissies, waarbij consistentie en transparantie worden gewaarborgd. Deze standaard bevat richtsnoeren voor emissies van groepen 1, 2 en 3 voor bedrijven en andere organisaties (ngo’s, overheid enz.).
Om een eerlijke weergave van de emissies van de onderneming te waarborgen, bevat het BKG-protocol een lijst van rapportagebeginselen:
relevantie: waarborgen dat de broeikasgasinventaris de broeikasgasemissies van de organisatie weerspiegelt;
volledigheid: waarborgen dat de broeikasgasinventaris alle broeikasgasemissiebronnen en -activiteiten binnen de gekozen begrenzing omvat;
consistentie: waarborgen van de consistentie van de gebruikte methode, zodat vergelijkingen in de tijd mogelijk zijn;
transparantie: het openbaar maken van de aannames, referenties en methode die zijn gebruikt bij het berekenen van broeikasgasemissies; en
juistheid: waarborgen dat de gegevens over de broeikasgasemissies voldoende nauwkeurig zijn om gebruikers in staat te stellen beslissingen te nemen.
Als alternatief voor het BKG-protocol kunnen ondernemingen ISO 14064-1 toepassen, indien deze standaard beter is afgestemd op hun rapporteringsbehoeften.
Bij het rapporteren over broeikasgasemissies is het belangrijk de juiste begrenzingen vast te stellen om ervoor te zorgen dat de broeikasgasinventaris correct is en om dubbeltelling van emissies te voorkomen. In het BKG-protocol worden twee belangrijke soorten begrenzingen gedefinieerd: organisatorische of operationele grenzen.
Image 2

Image 3

organisatiegrens: het BKG-protocol definieert dit begrip als de grenzen die de activiteiten bepalen die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van de rapporterende onderneming, afhankelijk van de gekozen consolidatiebenadering. Er zijn twee benaderingen voor de consolidatie van emissies: de “equity”-benadering (aandeel) of de “control”-benadering (controle). De onderneming kiest de benadering die het best past bij haar situatie.
Bij de aandeelbenadering worden de broeikasgasemissies van bedrijfsactiviteiten op basis van het aandeel in het eigen vermogen van de bedrijfsactiviteit berekend;
Bij het toepassen van de controlebenadering rekent de onderneming de broeikasgasemissies van activiteiten mee waarover zij financiële of operationele zeggenschap (controle) heeft. Ondernemingen gebruiken de criteria voor ofwel operationele controle of financiële controle bij het toepassen van deze benadering om de emissies in het verslag te consolideren en vast te leggen:
financiële controle houdt in dat de onderneming de financiële controle heeft over de bedrijfsactiviteiten indien de onderneming in staat is het financiële en operationele beleid daarvan te sturen om zo een economisch voordeel uit deze activiteiten te halen;
operationele zeggenschap houdt in dat een onderneming de operationele controle heeft over de bedrijfsactiviteiten indien de onderneming zelf of een van haar dochterondernemingen de volledige bevoegdheid heeft om haar operationele beleid toe te passen op en uit te voeren bij de bedrijfsactiviteiten;
operationele grens: het BKG-protocol definieert dit begrip als de grenzen die de directe en indirecte emissies bepalen die verband houden met activiteiten die eigendom zijn van of onder zeggenschap staan van de rapporterende onderneming. Deze beoordeling biedt een onderneming de mogelijkheid om vast te stellen welke activiteiten en bronnen directe (groep 1) en indirecte emissies veroorzaken (groepen 2 en 3) en om te beslissen welke indirecte emissies als gevolg van haar activiteiten moeten worden opgenomen;
de overwegingen ten aanzien van de grenzen moeten in overeenstemming zijn met de hiervoor beschreven beginselen (consistentie in de tijd, transparantie bij het documenteren en volledigheid) en worden in de volgende figuur visueel weergegeven (1).
Het BKG-protocol bevat ook richtsnoeren en stappen die moeten worden gevolgd om de broeikasgasemissies te identificeren, te berekenen en te volgen, zoals weergegeven in de volgende figuur (2).
Middels particuliere en publieke initiatieven zijn verschillende instrumenten ontwikkeld om ondernemingen te helpen bij het ontwikkelen van hun inventaris van broeikasgasemissies en het opstellen van de rapportage te vereenvoudigen. Op de website van de EFRAG zijn een aantal broeikasgascalculatoren te vinden.

Richtsnoeren voor emissies van groep 1 en locatiegebaseerde emissies van groep 2

Typische emissies van groep 1 omvatten CO2-emissies (evenals CH4 en N2O) in verband met de verbranding van brandstoffen (bv. in ketels, ovens, voertuigen enz.) en diffuse emissies van airconditioning- en industriële processen.
Tot de locatiegebaseerde emissies van groep 2 behoren emissies van elektriciteit, warmte, stoom en koeling die door de rapporterende onderneming zijn ingekocht of verworven en verbruikt. Dit weerspiegelt de gemiddelde emissie-intensiteit van netten waarop het energieverbruik plaatsvindt en gebruikt meestal gegevens over de gemiddelde emissiefactor van het net. Typische bronnen van emissies van groep 2 hebben betrekking op alle apparatuur die elektriciteit verbruikt (elektrische motoren, verlichting, gebouwen enz.), warmte (verwarming in industriële processen, gebouwen enz.), stoom (industriële processen) en koeling (industriële processen, gebouwen enz.).
De broeikasgasemissies kunnen op verschillende manieren worden beoordeeld, onder meer met de berekeningsbenadering, middels meting of een combinatie van metingen en berekeningen. Eén gemeenschappelijke aanpak is gebaseerd op berekening met behulp van emissiefactoren (EF), waarin het aardopwarmingsvermogen (GWP) van de broeikasgasemissies kan worden opgenomen. Directe meting met behulp van sensoren (debiet en concentratie) kan ook worden toegepast. De volgende tabel geeft een overzicht van de meest gebruikte methoden.

BKG-beoordelingsmethode

Bijzonderheden

Benodigde gegevens

Meting

Vermenigvuldiging van de hoeveelheid gas die rechtstreeks wordt gemeten met het respectieve GWP

Directe hoeveelheid uitgestoten gas verkregen door gasmeting (debiet, concentratie, volume)

GWP van het gas

Berekening

Vermenigvuldiging van de activiteitsgegevens met de emissiefactor (EF) waarin het GWP is opgenomen

Activiteitsgegevens

Emissiefactoren (EF)

In de voorgaande tabel worden de volgende begrippen gebruikt:
activiteitsgegevens, die doorgaans overeenkomen met de verbruikte hoeveelheid brandstof. Dit kan worden uitgedrukt in energie-eenheden (bv. MWh), volume (bv. m3 of l) of massa (bv. ton of kg). Deze gegevens kunnen door de onderneming worden achterhaald door brandstofverbruiksfacturen of energieafrekeningen te bekijken;
het aardopwarmingsvermogen (GWP), dat de impact van de gegeven broeikasgasemissies op het klimaat kwantificeert in vergelijking met een equivalente eenheid koolstofdioxide; en
emissiefactoren (EF), waarmee wordt gekwantificeerd hoeveel broeikasgas per activiteitseenheid wordt uitgestoten. Bij de emissiefactoren wordt vaak rekening gehouden met het aardopwarmingsvermogen (GWP) van het broeikasgas, in welk geval de onderneming geen rekening hoeft te houden met het broeikasgas.
De volgende tabel geeft een niet-volledig overzicht van bronnen waaruit ondernemingen zowel de emissiefactoren (EF) als het aardopwarmingsvermogen (GWP) gemakkelijk kunnen achterhalen. Ondernemingen kunnen ook gebruikmaken van gezaghebbende nationale bronnen die beter bij hun omstandigheden passen.

Emissiefactoren (EF)

ADEME — Base Empreinte®

IPCC — Emissions Factor Database

IPCC — richtlijnen voor nationale broeikasgasinventarissen

Association of Issuing Bodies (AIB) — Residual Mix Grid Emission Factors

JRC — Historical GHG emissions factor for electricity consumption (historische BKG-emissiefactor voor elektriciteitsverbruik)

IEA — Annual GHG emission factors for World countries from electricity and heat generation (Jaarlijkse BKG-emissiefactoren voor landen wereldwijd uit de opwekking van elektriciteit en warmte (betaalde dataset)

Aardopwarmingsvermogen (GWP)

IPCC — Aardopwarmingsvermogen

Ondernemingen kunnen op de website van de SME Climate Hub meer richtsnoeren en instrumenten vinden over wat ze kunnen doen aan en hoe ze verslag uitbrengen over hun broeikasgasemissies en impact op het klimaat.

Voorbeeld van het berekenen van emissies van groep 1

Onderneming A verbrandt stookolie uit categorie 4 in een industriële ketel. Voor de financiële boekhouding houdt zij de kosten bij en voor broeikasgasboekhoudingsdoeleinden houdt zij de volumes (m3) bij zoals weergegeven op brandstoffacturen. Op basis van de facturen bepaalt de onderneming het jaarlijkse volume aan ingekochte stookolie en houdt zij ook de stookolie-inventaris bij op de eerste kalenderdag van het jaar. In 2023 kocht de onderneming 100 m3 stookolie. Op basis van haar administratie en inventaris had zij op 1 januari 2023 2,5 m3 in haar reservoirs en op 1 januari 2024 1 m3. Zo bepaalt de onderneming dat zij (op basis van inkoop en meting van de inventaris) in 2023 101,5 m3 stookolie heeft verbruikt.
Met behulp van de IPCC-lijst van emissiefactoren (tabel 2.3, blz. 2.18) schat de onderneming haar emissiefactor, een vijftig-vijftig mengsel van dieselolie en restolie, op 75,75 t CO2/TJ, en door gebruik te maken van gepubliceerde statistieken over energie, bepaalt zij dat de calorische onderwaarde van de brandstof 0,03921 TJ/m3 is. Aangezien het aardopwarmingsvermogen van CO2 gelijk is aan 1, is de CO2-emissie voor deze specifieke bron van groep 1 als volgt te berekenen:101,5 m3 * 0,03921 TJ/m3 * 75,75 t CO2/TJ * 1 = 301,5 t CO2.
Voor de volledigheid worden in dit voorbeeld ook de CH4- en N2O-emissies berekend. Uit de IPCC-lijst van emissiefactoren blijkt dat het gaat om respectievelijk 3 kg CH4/TJ en 0,6 kg N2O/TJ, wat de volgende emissies oplevert:CH4-emissies = 101,5 m3 * 0,03921 TJ/m3 * 3 kg CO2/TJ * 29,8 = 0,36 t CO2e;N2O-emissies = 101,5 m3 * 0,03921 TJ/m3 * 0,6 kg CO2/TJ * 273 = 0,65 t CO2e.
Zoals gezegd, voegen de CH4- en N2O-emissies ongeveer 1 t CO2e toe aan de CO2-waarde van 301,5 t CO2, wat neerkomt op ongeveer 0,3 % van het totaal. Dit zou kunnen worden gezien als ruim binnen een aanvaardbare rapporteringsfout vallend, en kon dus niet worden berekend en gerapporteerd. Het aardopwarmingsvermogen voor CH4 en N2O is afgeleid van het zesde evaluatieverslag van de IPCC, hoofdstuk “7SM”.

Voorbeeld van het berekenen van emissies van groep 2

Onderneming A is gevestigd in Parijs, in een kantoorgebouw van 2 000 m2, waar zij betaalt voor de elektriciteit die wordt verbruikt voor de centrale verwarming en koeling, verlichting, computers en andere elektrische apparatuur en machines. Op basis van de energieafrekeningen schat zij in dat het gebouw in 2022 282 MWh elektriciteit heeft verbruikt. Door een emissiefactor toe te passen van 73 g CO2eq/kWh voor Frankrijk in 2022, schat de onderneming haar emissies van groep 2 voor het elektriciteitsverbruik in gebouwen op
Formula

Ondernemingen kunnen ook hun marktgebaseerde groep 2-cijfers verstrekken. De emissiefactoren voor marktgebaseerde emissies van groep 2 geven de contractuele afspraken weer die een onderneming heeft met haar energieleverancier(s). Deze marktgebaseerde emissiefactoren kunnen worden aangeleverd door de elektriciteits- of warmteleveranciers en worden onderbouwd met de aankoop van energieattributencertificaten of stroomafnameovereenkomsten (PPA’s) of het gebruik van residual-mix emission factors (AIB, 2024).
B4

Verontreiniging van lucht, water en bodem

Richtsnoeren over welke ondernemingen verslag moeten uitbrengen over verontreiniging en over welke verontreinigende stoffen ondernemingen verslag moeten uitbrengen

In punt 32 is bepaald dat de onderneming de verontreinigende stoffen die zij bij haar eigen bedrijfsactiviteiten in de lucht, het water en de bodem uitstoot, moet rapporteren indien dergelijke informatie op basis van wetgeving reeds aan de bevoegde autoriteiten of in het kader van een milieubeheersysteem moet worden gerapporteerd. Dit houdt in dat de onderneming eerst zal beoordelen of zij dergelijke informatie al in het kader van een wettelijke verplichting of op vrijwillige basis rapporteert. Indien de onderneming reeds informatie over de emissies van verontreinigende stoffen rapporteert (of daartoe wettelijk verplicht is), verstrekt zij nadere informatie over die emissies overeenkomstig de vereisten in punt 32. Indien de onderneming dergelijke informatie nog niet rapporteert (en daartoe wettelijk niet verplicht is), hoeft zij alleen maar te vermelden dat dit het geval is.
In het algemeen zal dit vereiste naar verwachting van toepassing zijn op ondernemingen die exploitanten zijn van een industriële installatie of een intensieve veehouderij die onder de richtlijn inzake industriële emissies en emissies uit de veehouderij (Richtlijn 2024/1785/EU of “richtlijn industriële emissies 2”) valt, tot wijziging van de richtlijn industriële emissies (Richtlijn 2010/75/EU of “richtlijn industriële emissies”). De richtlijn industriële emissies 2 is van toepassing op ongeveer 75 000 installaties in Europa en heeft betrekking op activiteiten zoals het stoken van brandstof in ketels met een nominaal vermogen van meer dan 50 MW, metaalgieterijen, de verwerking van non-ferrometalen, de productie van kalk, de vervaardiging van keramische producten door bakken, de productie van gewasbeschermingsmiddelen of biociden, het fokken van een combinatie van varkens of pluimvee wanneer dit overeenkomt met 380 grootvee-eenheden of meer, het looien van huiden, slachthuizen enz. In deze gevallen moet de installatie de in de lucht, het water en de bodem uitgestoten verontreinigende stoffen reeds aan de bevoegde autoriteit melden en zijn de gegevens openbaar beschikbaar op het portaal voor industriële emissies (het portaal, Verordening (EU) 2024/1244), ter vervanging van het Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen (het register, Verordening (EG) nr. 166/2006). Ondernemingen die in meer dan één faciliteit actief zijn, hoeven geen verslag uit te brengen over hun geconsolideerde emissies voor de hele onderneming in het kader van het register, aangezien zij alleen op het niveau van de faciliteit rapporteren. Deze standaard vereist de rapportering van de totale hoeveelheid verontreinigende stoffen van alle faciliteiten. Evenzo hoeven ondernemingen die eigenaar zijn van maar niet actief zijn in een faciliteit geen verslag uit te brengen aan het register, maar wordt van hen verwacht dat zij hun emissies van de faciliteiten die zij in eigendom hebben in hun duurzaamheidsverslag opnemen.
Dit geldt ook indien is vastgesteld dat een onderneming de in het register vermelde verontreinigende stoffen moet bijhouden en daarover moet rapporteren in het kader van een milieubeheersysteem, zoals bijvoorbeeld een milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) of ISO 14001-certificering. Dit zijn in beginsel relevante aspecten die de onderneming in haar duurzaamheidsverslag moet opnemen.
Indien een onderneming slechts één faciliteit heeft of slechts in één faciliteit actief is, en indien haar verontreinigingsgegevens reeds openbaar beschikbaar zijn, kan de onderneming naar het document verwijzen waarin die informatie wordt verstrekt in plaats van deze opnieuw te rapporteren. Evenzo kan de onderneming, indien zij een organisatiebreed verslag publiceert, zoals bijvoorbeeld een EMAS-verslag waarin verontreinigingsgegevens zijn opgenomen, dit verslag door middel van verwijzing opnemen in het duurzaamheidsverslag.
Om in het duurzaamheidsverslag informatie over verontreinigende stoffen te rapporteren, moet de onderneming het soort verontreinigende stof vermelden waarover wordt gerapporteerd, naast de emissies in lucht, water en bodem, in een geschikte massa-eenheid (bv. ton of kilogram).
Hier volgt een voorbeeld van de wijze waarop ondernemingen informatie kunnen presenteren over hun emissies in lucht, water en bodem, uitgesplitst naar soort verontreinigende stof.

Verontreinigende stof

CO2-emissies (kg)

Emissiemedium (lucht, water, bodem)

bv. cadmium en verbindingen daarvan

10

Water

Soort verontreinigende stof 2

Soort verontreinigende stof 3

Wat betreft de soorten verontreinigende stoffen waarmee rekening moet worden gehouden bij de rapportering onder punt 32, kan de onderneming verwijzen naar de volgende belangrijkste verontreinigende stoffen die momenteel onder de EU-wetgeving vallen. Niettemin houdt elke onderneming rekening met de specifieke verontreinigende stoffen die in hun respectieve rechtsgebieden onder de wetgeving vallen.
Voorbeelden van belangrijke verontreinigende stoffen in de lucht (Gedelegeerde Richtlijn (EU) 2024/299; Verordening (EU) 2024/1244; Air pollution from key sectors, Europese Commissie, 2024; Sources and emissions of air pollutants in Europe, European Environmental Agency, 2022) zijn: zwaveloxiden (SOx/SO2 — bv. door energieopwekking en verwarming in de productie), stikstofoxiden (NOx/NO2 — bv. door vervoer), vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS — bv. door landbouwactiviteiten), koolmonoxide (CO — bv. door verbranding van fossiele brandstoffen), ammoniak (NH3 — bv. door mestopbrenging en opslag), zwevende deeltjes (PM10 — bv. door verbranding in de productie, het vervoer, landbouwactiviteiten), zware metalen (Cd, Hg, Pb, As, Cr, Cu, Ni, Zn), POP’s (totaal aan PAK’s, HCB, PCB’s, dioxinen/furanen), ozonafbrekende stoffen (chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK’s), chloorfluorkoolwaterstoffen (HCFC’s), halonen), zwarte koolstof (bv. door energieverbruik) enz.
De belangrijkste bronnen van emissies van luchtverontreinigende stoffen in de particuliere sector (die ook een grote impact hebben op de hele waardeketen) zijn onder meer: a) elektriciteitsopwekking uit de verbranding van fossiele brandstoffen of biomassa (die extern kan plaatsvinden, via een nationaal net kan worden gedistribueerd en vervolgens via de activiteiten in de waardeketen kan worden verbruikt); b) directe stationaire verbranding van fossiele brandstoffen of biomassa binnen de activiteiten of industriële processen van een onderneming, of de werking van stationaire machines of andere activiteiten waarvoor brandstofverbranding nodig is; c) vervoer (vracht, weg, spoor, scheepvaart en luchtvaart, terreinvoertuigen zoals die welke in de landbouw of de bouw worden gebruikt); d) industriële processen (alle andere emissies die niet het gevolg zijn van de verbranding van brandstoffen en die optreden tijdens industriële processen); e) landbouw (veestapel- en mestbeheer, gewasproductie zoals het verbranden van oogstrestanten, mest en bemesting); f) afvalverwijdering (bv. storten, verbranding of openluchtverbranding, of compostering).
Hierna wordt een voorbeeld gegeven van een eenvoudige methode voor het ontwikkelen van de emissie-inventaris van luchtverontreinigende stoffen van een onderneming en het berekenen van de emissies van de respectieve luchtverontreinigende stoffen. Deze methode bestaat uit de volgende stappen; met uitzondering van het in kaart brengen van de waardeketen volgens de VSME-standaard moet de op grond van deze rapporteringsvereiste vereiste informatie worden gerapporteerd op het niveau van de rapporterende onderneming, waarbij: 1) de emissiebronnen binnen de waardeketen worden geïdentificeerd, 2) de methoden voor het kwantificeren van de emissies worden geïdentificeerd, 3) de activiteitsgegevens worden verzameld, 4) de emissiefactoren worden geïdentificeerd en 5) de emissies worden gekwantificeerd. In de handleiding worden de bronnen van verontreiniging in kaart gebracht aan de hand van methoden voor de berekening van informatie over emissies afkomstig van de belangrijkste luchtverontreinigende stoffen (zie de tabel). (3)

Bronnen van verontreiniging

Methodologie voor het kwantificeren van emissies

(afdeling in de richtsnoeren)

Elektriciteit

Afdeling 4.1

Verbranding van brandstoffen

Afdeling 4.2

Vervoer

Afdeling 4.3

Industriële processen

Afdeling 4.4

Landbouw

Afdeling 4.5

Afvalstoffen

Afdeling 4.6

Hier wordt een voorbeeld gegeven van een berekeningsmethode voor emissies van luchtverontreinigende stoffen met behulp van de hiervoor beschreven productiemethode. In het onderzochte voorbeeld is Mp de hoeveelheid materiaal M die wordt gebruikt in (of geproduceerd door) de waardeketen van een onderneming, geproduceerd volgens proces p (ton, liter); EFk,p is de emissiefactor voor verontreinigende stof k voor proces p (g productie-eenheid-1); Emk,p is de emissie van de specifieke verontreinigende stof k voor proces p (g).Emk,p = Mp * EFk,p
Een middelgrote chocoladefabrikant die in 2022 1 750 ton chocolade produceert, zou bijvoorbeeld de standaardemissiefactor 2 toepassen om zijn emissies van NMVOS te berekenen, wat zou resulteren in de volgende berekening: 1 750 ton chocolade * 2 (emissiefactor van NMVOS) = 3 500 ton emissie van NMVOS.
Vervoer kan een andere belangrijke bron van luchtverontreiniging zijn binnen de eigen activiteiten en op het niveau van de waardeketen. In dit geval moet de entiteit, om de emissie van een bepaalde verontreinigende stof door het wegvervoer te kunnen ramen, bijvoorbeeld de volgende formule gebruiken, waarbij FCv,f het brandstofverbruik is van voertuigtype v dat brandstof f (kg) gebruikt; EFk,v,f is de emissiefactor voor verontreinigende stof k voor voertuigtype v en brandstof f (g voertuig-km-1); Emk,v,f staat voor de emissie van de specifieke verontreinigende stof k voor voertuigtype v en brandstof f (g).Emk,v,f = FCv,f * EFk,v,f
Zo produceerde een licht bedrijfsvoertuig op diesel dat in 2022 in totaal 2 800 km aflegde, de volgende hoeveelheid PM10-emissies (PM10-emissiefactor van 1,52 g/kg): 2 800 km * 1,52 = 4 256 gram PM10-emissie.
De brandstofverbranding is een extra kritieke bron van luchtemissies. In dit geval kan een voorbeeld van een formule de volgende zijn, waarbij FCn de brandstof n is die binnen de broncategorie (Gj) wordt verbruikt; EFk is de emissiefactor voor deze verontreinigende stof k (g/Gj); en Emk is de emissie van de specifieke verontreinigende stof k (g).Emk = FCn * EFk;
Een bedrijf dat in 2020 3 000 000 gram brandstof verbruikte, heeft bijvoorbeeld een EF van 0,67 voor SO2, wat resulteert in: 3 000 000 * 0,67 = 2 010 000 gram SO2-emissie door brandstofverbranding in 2020.
Voorbeelden van belangrijke verontreinigende stoffen in water (Verordening (EU) 2024/1244; Richtlijn 2000/60/EG; Richtlijn 2006/118/EG; Richtlijn 91/676/EEG; Richtlijn 2010/75/EU; wijziging van Richtlijn (EU) 2024/1785; Industrial pollutant releases to water in Europe, EEA, 2024) zijn: stikstof (N), fosfor (P), zware metalen (Cd, Hg, Pb, maar ook As, Cr, Cu, Ni, Zn), POP’s en pesticiden, BTEX (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen) en andere vluchtige organische stoffen (VOS), stoffen die de zuurstofbalans ongunstig beïnvloeden (gemeten met parameters als BZV, CZV enz.), totaal organische koolstof (TOK) enz.
Pesticiden en nutriënten (bv. N en P) kunnen vrijkomen via landbouwactiviteiten (Main sources of water pollution, EEA, 2023; Introduction to Freshwater Quality Monitoring and Assessment - Technical Guidance Document, UNEP, 2023) (bv. het op of in de bodem brengen van mest of anorganische meststoffen). Zware metaalconcentraties kunnen afkomstig zijn van mijnbouw en afvalwaterlozingen. Het TOK is een algemene indicator van waterverontreiniging met organisch materiaal die de aanwezigheid van levend materiaal aangeeft, bijvoorbeeld in afvalwater, maar ook in oppervlakte- en grondwater (de gebruikelijke concentratieniveaus van respectievelijk minder dan 10 mgl-1 en 2 mgl-1). Het CZV (chemisch zuurstofverbruik) wijst gebruikelijk op de aanwezigheid van industrieel afvalwater of rioolwater, met waarden die doorgaans lager zijn dan 20 mgl-1 in niet-verontreinigd water en industrieel afvalwater tot waarden van maximaal 60 000 mgl-1. Het BZV (biologisch zuurstofverbruik) wordt normaal gesproken gebruikt om verontreiniging door organisch materiaal in oppervlaktewateren te bepalen, evenals voor de efficiëntie van rioolwaterzuivering, en het bevat meestal waarden rond 2 mgl-1 in niet-verontreinigd water en 10 mgl-1 en meer in verontreinigd water. Het vrijkomen van VOS kan het gevolg zijn van lozingen in water.
Wat betreft de methode die wordt gebruikt om emissies in water te meten, beveelt het EEA (Calculating emissions to water – a simplified method (ETC/ICM Report 3/2022)) een eenvoudige ramingstechniek aan die vergelijkbaar is met die welke voor de bovengenoemde luchtverontreinigende stoffen wordt gebruikt. In de onderstaande formule is ARa de activiteitsgraad voor activiteit a (te kiezen op basis van de specifieke activiteit of het specifieke proces; bv. zie Mp in de berekening van de luchtemissies hiervoor); EFp,a is de emissiefactor voor verontreinigende stof p voor activiteit a; en Emissiep,a is de emissie van de specifieke verontreinigende stof p voor activiteit a.Emissiep,a = ARa * EFp,a
Voorbeelden van belangrijke verontreinigende stoffen die in de bodem worden uitgestoten (Verordening (EU) 2024/1244; Richtlijn 86/278/EEG) zijn: N, P, zware metalen (bv. het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib), BTEX en andere VOS, POP’s en pesticiden.
Over het algemeen zijn de bronnen van bodemverontreiniging in de particuliere sector voornamelijk de producten of bijproducten van industriële processen (bv. de productie van chemische stoffen, energie of textiel), onbedoelde lozingen van van benzine afgeleide producten, veeteelt en landbouwactiviteiten (bv. irrigatie met onbehandeld afvalwater, pluimveehouderij), productie en behandeling van afvalwater, productie en verwerking van metalen en mineralen, en vervoer (Global assessment of soil pollution: Report, FAO, 2021).
Er zijn verschillende nationale handleidingen ontwikkeld om ondernemingen te ondersteunen bij het berekenen van hun emissies in lucht, water en bodem, bijvoorbeeld in Australië (Emission Estimation Technique Manual for Soft Drink Manufacture, National Pollution Inventory) en Zuid-Afrika (A Guide to Reporting and Estimating Emissions for the IPWIS) krijgen entiteiten diverse ramingsopties aangeboden om uit te kiezen, afhankelijk van hun mogelijkheden: directe meting (bv. bemonstering, systeem voor continue monitoring), massabalans, technische berekeningen, emissiefactoren (dezelfde formule als hiervoor voor lucht- en wateremissies) enz. De algemene benadering voor de berekening van dergelijke emissies is bedoeld om: 1) de emissiebronnen binnen de faciliteit te identificeren (verbranding, productie, verdamping oplosmiddelen, opslag, vluchtige stoffen); 2) de beschikbare informatie te inventariseren; 3) in de lijst van ramingsmethoden aangeven welke het meest geschikt is voor het specifieke proces dat wordt beoordeeld, welke informatie beschikbaar is en welke meetinstrumenten kunnen worden verkregen om de benodigde gegevens te verkrijgen; 4) de gegevens te verzamelen die voor elke methode nodig zijn; en 5) de emissies te berekenen. De handleidingen bevatten verschillende formules en voorbeelden voor de berekeningsmethode voor elke emissie.
Op de speciale webpagina van het Europees Milieuagentschap (EEA) is een lijst van emissiefactoren voor luchtverontreinigende stoffen te vinden. Hoewel emissiefactoren vaker worden gebruikt voor luchtverontreiniging, heeft de Wereldgezondheidsorganisatie WHO bepaalde emissiefactoren beschikbaar gesteld voor de lozing van oppervlaktewater en de afvoer van grond voor specifieke processen. Aanvullende emissiefactoren voor POP’s kunnen worden geraadpleegd op de webpagina van de Toolkit for Identification and Quantification of Releases of Dioxins, Furans and Other Unintentional POPs.
Er zij op gewezen dat de vereisten onder punt 32 alleen van toepassing zijn op kmo’s die in specifieke sectoren actief zijn. Ondernemingen die betrokken zijn bij het verlenen van diensten (bv. in co-werk- of gedeelde faciliteiten of op afstand), vallen doorgaans niet onder het toepassingsgebied van deze rapporteringsstandaard. Ondernemingen die productieactiviteiten verrichten (bv. chemische stoffen) hebben daarentegen over het algemeen impact op het gebied van verontreiniging en van hen wordt daarom verwacht dat zij in het kader van deze mededeling rapporteren. De volgende tabel (afkomstig uit de EMAS-leidraad en aangepast) geeft voorbeelden van de sectorale impact, ook van kantoordiensten, waarvoor verontreinigingsgerelateerde aspecten mogelijk niet significant zijn.

Activiteit

Milieuaspect

Milieueffect

Vervoer

Verbruikte machineolie, brandstofverbruik
Voertuigemissies
Bandenslijtage (fijnstof)
Bodem-, water- en luchtverontreiniging
Broeikaseffect, geluid

Bouwnijverheid

Verbruik van primaire grondstoffen (hulpbronnen)
Emissies in de atmosfeer, lawaai, trillingen enz. van bij de bouw gebruikte machines
Landverbruik
Beschikbaarheid van grondstoffen
Lawaai en bodem-, water- en luchtverontreiniging
Vernietiging van bodembedekking
Verlies aan biodiversiteit

Kantoorwerkzaamheden

Verbruik van materialen (bv. papier, toner)
Elektriciteitsverbruik (leidt tot indirecte CO2-uitstoot)
Productie van gemengd stedelijk afval
Broeikaseffect

Chemische industrie

Verbruik van primaire grondstoffen (hulpbronnen)
Afvalwater
Emissies van vluchtige organische stoffen
Emissies van ozonaantastende stoffen
Beschikbaarheid van grondstoffen
Waterverontreiniging
Fotochemische ozon
Vernietiging van de ozonlaag
B5

Biodiversiteit

Richtsnoeren voor het identificeren van vestigingen in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden

In punt 33 is bepaald dat de onderneming de vestigingen die zij exploiteert en die zich in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden bevinden, openbaar moet maken. Biodiversiteitsgevoelige gebieden worden als zodanig gedefinieerd door speciale regelgeving inzake natuurbescherming op Europees of internationaal niveau. Hieronder vallen gebieden die behoren tot het Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden, UNESCO-werelderfgoedlocaties en belangrijke biodiversiteitsgebieden, alsook andere beschermde gebieden die door overheidsinstanties zijn aangewezen als gebieden die bijzondere bescherming behoeven (bv. beschermde bosgebieden of gebieden in stroomgebiedsdistricten).
Om beschermde gebieden en biodiversiteitsgevoelige gebieden te identificeren, kan de onderneming verwijzen naar databanken zoals de World Database on Protected Areas (WDPA) (een wereldwijde databank om beschermde mariene en terrestrische gebieden te helpen identificeren), de World Database on Key Biodiversity Areas en de Rode Lijst van bedreigde soorten van de IUCN. De onderneming kan ook gebruikmaken van instrumenten zoals de Integrated Biodiversity Assessment Tool (IBAT).
Onder “nabij” wordt, in de context van B5 — Biodiversiteit, verstaan een gebied dat (gedeeltelijk) overlapt met of grenst aan een biodiversiteitsgevoelig gebied.
De volgende tabel laat zien hoe informatie over vestigingen in of nabij biodiversiteitsgevoelige gebieden kan worden gepresenteerd.

Locatie

Gebied

(ha)

Biodiversiteitsgevoelig gebied

Specificaties

(in/nabij een biodiversiteitsgevoelig gebied)

Land —

Naam vestiging 1

Land —

Naam vestiging 2

Land —

Naam vestiging 3

...

Richtlijnen voor het berekenen en rapporteren van landgebruik

Een “verharde oppervlakte” is een gebied waar de oorspronkelijke bodem is bedekt (bv. wegen, gebouwen, parkeerterreinen), waardoor hij ondoorlatend is geworden, wat een impact heeft op het milieu.
Groene oppervlakten of “natuurgerichte oppervlakten” zijn gebieden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor natuurbehoud of -herstel. Bijna-natuurlijke/groene oppervlakten kunnen zich op de bedrijfslocatie (vestiging) van de organisatie bevinden en kunnen daken, gevels, waterafvoersystemen of andere elementen omvatten die zijn ontworpen, aangepast of beheerd om de biodiversiteit te bevorderen. Seminatuurlijke gebieden kunnen zich ook buiten het terrein van de organisatie bevinden als ze eigendom zijn van of worden beheerd door de organisatie en in de eerste plaats dienen om de biodiversiteit te bevorderen.
De volgende tabel laat zien hoe informatie over landgebruik kan worden gepresenteerd (EMAS, 2023).

Soort landgebruik

Gebied

(ha of m2)

Totale verharde oppervlakte

Totale natuurgerichte oppervlakte op de bedrijfslocatie

Totale natuurgerichte oppervlakte buiten de bedrijfslocatie

Totaal landgebruik

B6

Water

Richtsnoeren voor het berekenen en rapporteren van wateronttrekkingen en waterverbruik

Wateronttrekking heeft betrekking op de hoeveelheid water die een onderneming tijdens de verslagperiode uit om het even welke bron binnen haar organisatiegrenzen onttrekt. In de praktijk heeft dit voor de meeste ondernemingen betrekking op de hoeveelheid water die uit het openbare waterleidingnet wordt gehaald, zoals aangegeven op de waterafrekeningen. In voorkomend geval omvat wateronttrekking echter ook hoeveelheden water uit andere bronnen, zoals grondwater uit eigen putten, water uit rivieren of meren of water dat door andere ondernemingen wordt ontvangen. In het specifieke geval van ondernemingen die actief zijn in de landbouw, omvat wateronttrekking ook regenwater indien het rechtstreeks door de onderneming wordt opgevangen en opgeslagen.
Gegevens over wateronttrekking kunnen uit metingen worden gehaald, met behulp van stroommeters, of uit de waterafrekening; in de praktijk heeft wateronttrekking voor de meeste ondernemingen betrekking op de hoeveelheid water die uit het openbare waterleidingnet wordt gehaald, zoals aangegeven op de waterafrekening. In gevallen waarin directe metingen niet haalbaar zijn of niet toereikend worden geacht en daarom moeten worden aangevuld, kan een raming worden gemaakt van de gegevens over wateronttrekking aan de hand van bijvoorbeeld berekeningsmodellen en industrienormen.
In het geval van een gedeeld kantoor of co-werkruimte kan een mogelijke methode om de wateronttrekking te berekenen bijvoorbeeld zijn om de totale wateronttrekking van het gebouw uit de waterafrekening te halen en die met de volgende vergelijking per werknemer te berekenen:Wateronttrekking per werknemer per dag (liter) = jaarlijkse wateronttrekking (liter) / (aantal werknemers in het gehele gedeelde gebouw x aantal werkdagen).De onderneming kan vervolgens de wateronttrekking per werknemer vermenigvuldigen met het aantal werknemers en het aantal dagen dat zij in het verslagjaar werkten, om het in het datapunt vereiste definitieve aantal te verkrijgen.Om een numeriek voorbeeld te geven met behulp van de voorgestelde formule, is de jaarlijkse wateronttrekking uit de waterafrekening van een co-werkruimte 1 296 m3 (overeenkomend met 1 296 000 liter), uitgaande van een co-werkruimte waar 100 werknemers van verschillende bedrijven samenwerken gedurende een verondersteld aantal van 240 dagen per jaar. De aanname van het gemiddelde aantal gewerkte dagen kan bijvoorbeeld gebaseerd zijn op nationale statistieken. De wateronttrekking per werknemer per dag zou in dit geval zijn:wateronttrekking per werknemer per dag = 1 296 000 l / (100 x 240) = 54 l.
Ervan uitgaande dat de rapporterende onderneming 25 werknemers heeft en dat zij 220 dagen per jaar gebruikmaken van de co-werkruimte, zou de jaarlijkse wateronttrekking van de onderneming in de co-werkruimte gelijk zijn aan de wateronttrekking per werknemer vermenigvuldigd met het aantal werknemers en het aantal gewerkte dagen, dus 54 l x 25 x 220 = 297 000 l (overeenkomend met 297 m3).
Deze berekening kan nuttig zijn wanneer het mogelijk is om toegang te krijgen tot de waterafrekening van het gedeelde gebouw. Deze eenvoudige berekeningsmethode heeft enkele beperkingen, aangezien er bijvoorbeeld geen rekening wordt gehouden met verschillen in gebruik tussen verschillende delen van het gebouw (een gebouw van zeven verdiepingen zou bijvoorbeeld zes verdiepingen kunnen hebben voor kantoren en één verdieping met een kantine of een restaurant), die de onderneming mogelijk kan compenseren als er aanvullende gegevens beschikbaar zijn, waarbij de voorgaande basisberekening als voorbeeld dient en verder wordt verfijnd.
Een alternatieve manier om de gegevens voor wateronttrekking te achterhalen in het voorbeeld van gedeelde kantoren wanneer de waterafrekening niet beschikbaar is, zou kunnen zijn om deze te berekenen met behulp van armatuurdebieten en bezettingsgegevens als primaire input. Een mogelijke formule zou kunnen zijn:totale wateronttrekking = ∑(debiet × aantal keren gebruikt per dag × aantal dagen per jaar × bezetting)waarbij:
het debiet van elk armatuur kan bijvoorbeeld worden achterhaald uit de projectdocumentatie of verpakkingsgegevens van de armaturen, of geschat op basis van gemiddelde openbaar beschikbare gegevens indien nauwkeurigere informatie niet kan worden achterhaald;
het “aantal keren per dag gebruikt” kan worden geschat op basis van algemeen beschikbare gemiddelden;
het “aantal dagen” staat voor het aantal werkdagen voor de rapporterende onderneming in een jaar;
de “bezetting” is het aantal werknemers van de onderneming die van het kantoor gebruikmaken; dit wordt vaak berekend in voltijdequivalenten (vte); en
het teken ∑ geeft aan dat de berekeningen voor elk armatuur een som van alle gebruikte armaturen moet zijn om de totale wateronttrekking te verkrijgen van de rapporterende onderneming die in een gedeeld kantoor actief is.
Een andere mogelijke bron die de rapportering over wateronttrekking zou kunnen ondersteunen voor ondernemingen die in gedeelde kantoren actief zijn, is JRC-niveau-indicator 3.1: Use stage water consumption user manual, met daarnaast aanvullende bijbehorende documenten en rekenbladen (zie PG Section Documents | Product Bureau (europa.eu)). Bovendien zou de onderneming de sectorale referentiedocumenten voor de overheidssector en de bouwsector van het EMAS kunnen raadplegen, evenals ratingsystemen en certificeringen, die nuttige aanwijzingen kunnen geven in hun methoden voor het verder verfijnen van de berekening voor wateronttrekking in kantoren en gedeelde ruimten.
De verstrekte voorbeelden voor het verkrijgen van gegevens over wateronttrekking in het geval van gedeelde kantoren kunnen worden omgezet in en toegepast door ondernemingen die in verschillende sectoren actief zijn, met aanpassingen die nodig kunnen zijn voor de sectorale en entiteitsspecifieke situatie waarin de onderneming actief is. De “easy” versie van het EMAS voor kmo’s en sectorale EMAS-referentiedocumenten kunnen worden geraadpleegd voor kmo’s en sectorspecifieke methoden en indicatoren voor wateronttrekking, alsook voor industriële standaarden en benchmarks.
Het waterverbruik is de hoeveelheid water die binnen de grenzen van de onderneming wordt onttrokken en die niet wordt geloosd of volgens plan opnieuw zal worden geloosd in het watermilieu of naar een derde partij. Dit heeft doorgaans betrekking op verdampt water (bv. in thermische energieprocessen zoals drogen of energieopwekking), water dat is opgenomen in producten (bv. bij de voedselproductie) of water voor irrigatiedoeleinden (bv. gebruikt in de landbouw of voor het besproeien van bedrijfslocaties).
Waterlozing betekent bijvoorbeeld de hoeveelheid water die rechtstreeks wordt overgebracht naar ontvangende waterlichamen zoals meren of rivieren, het openbare riool of naar andere bedrijven voor cascaderend watergebruik. Dit kan worden gezien als de output van water van een onderneming.
Het waterverbruik kan dus als volgt worden berekend:waterverbruik = input van water – output van water,met andere woorden:waterverbruik = (wateronttrekking) – waterlozing.Voor ondernemingen die alleen water uit het openbare waternet halen en in het riool lozen, zal het waterverbruik bijna nul zijn en kan het daarom uit het verslag worden weggelaten.Meer in het algemeen heeft de toepasselijkheid van de rapporteringsvereiste inzake waterverbruik betrekking op informatie die reeds bij wet moet worden verstrekt, reeds is gerapporteerd en/of geschikt is voor de sector.
De volgende figuur geeft een schematische weergave van de relatie tussen wateronttrekking, waterverbruik en waterlozing.
Image 4

De onderneming kan aanvullende verklarende informatie verstrekken om haar wateronttrekking of waterverbruik in een context te plaatsen. De onderneming kan bijvoorbeeld aangeven of regenwater wordt opgevangen en gebruikt ter vervanging van leidingwater of dat water naar andere partijen wordt geloosd voor cascaderend gebruik.
Hieronder vindt u een voorbeeld van de wijze waarop ondernemingen kwantitatieve informatie over hun onttrekkingen, lozingen en waterverbruik kunnen presenteren, uitgesplitst naar locatie van de vestiging.

Wateronttrekking

bv. m3

Waterverbruik

bv. m3 (indien van toepassing)

Alle vestigingen

Vestigingen in gebieden met waterstress

Richtsnoeren om te bepalen of de onderneming actief is in een gebied met hoge waterstress

De onderneming kan lokale (bv. nationale, regionale) waterautoriteiten van de plaats(en) waar zij actief is, raadplegen om haar beoordeling van de watervoorraden voor de specifieke locatie(s) te onderbouwen, met inbegrip van de identificatie van gebieden met hoge waterstress. De onderneming kan ook openbare en gratis instrumenten gebruiken om waterschaarste wereldwijd in kaart te brengen. Een van die instrumenten is Aqueduct, de waterrisicoatlas van het WRI, een interactieve kaart van een indicator voor waterstress (de “basiswaterstress”, die de verhouding tussen de totale vraag naar water en de beschikbare hernieuwbare oppervlakte- en grondwatervoorziening meet) op het niveau van deelstroomgebieden. Met behulp van dit instrument kunnen ondernemingen de basislijn voor waterstress raadplegen die voor verschillende stroomgebieden wereldwijd is vastgesteld. Waarden van de basiswaterstressindicator boven 40 % duiden op een gebied met hoge waterstress.
Ter illustratie toont de volgende kaart de belangrijkste stroomgebieden van het Iberisch schiereiland en hun waterspanningsclassificatie volgens Aqueduct.
Image 5

In de figuur zijn verschillende stroomgebieden op het Iberisch schiereiland te zien, met de bijbehorende waterstressclassificatie. Het grootste deel van het zuidelijke deel van het schiereiland ligt in een gebied met grote waterstress, met uitzondering van het stroomgebied van de Guadiana (geel). Indien de onderneming activiteiten ontplooit in het stroomgebied van de Guadalquivir (bv. de regio Andalusië, die een aanzienlijke grote waterstress heeft), zou de onderneming dus haar waterverbruik voor dat (stroom)gebied moeten uitsplitsen. Maar als de activiteiten ervan plaatsvinden in het zuidelijke deel van het stroomgebied van de Guadiana (waar sprake is van lage waterstress), zou het niet nodig zijn om het waterverbruik voor dat (stroom)gebied uit te splitsen.
Andere mogelijke instrumenten die ondernemingen kunnen raadplegen om hun locatie in gebieden met waterstress te bepalen, zijn de statische kaart (en de bijbehorende dataset) die is verstrekt door de Water Exploitation Index plus (WEI+) van het Europees Milieuagentschap (EEA) voor zomer- en stedelijke morfologische zones en de interactieve WEI+-kaart voor stroomgebiedsdistricten (1990-2015), beide met de waterstressindicator WEI+ die het totale waterverbruik meet als percentage van de hernieuwbare zoetwaterbronnen op het niveau van deelstroomgebieden. WEI+-waarden gelijk aan of boven 40 % duiden over het algemeen op situaties van grote waterstress. Er zij op gewezen dat de basisindicator voor waterstress in Aqueduct van het WRI is gebaseerd op de vraag naar water, terwijl de EER-indicator voor waterstress, WEI+, is gebaseerd op het waterverbruik.
B7

Gebruik van hulpbronnen, circulaire economie en afvalbeheer

Richtsnoeren voor de beginselen van de circulaire economie

Wanneer de onderneming informatie over haar producten, materiaalgebruik en afvalbeheer rapporteert, kan zij informatie verstrekken met betrekking tot de beginselen van de circulaire economie. De beginselen van de circulaire economie worden in de volgende alinea’s uiteengezet. De belangrijkste beginselen van de circulaire economie worden hierna uiteengezet en de belangrijkste beginselen die de Europese Commissie in overweging heeft genomen, worden cursief weergegeven.Afval en verontreiniging uitbannen — dit is mogelijk door middel van procesverbeteringen en ook door ontwerpoverwegingen op het niveau van bruikbaarheid, herbruikbaarheid, repareerbaarheid, demontage en herproductie.Producten en materialen (zo hoogwaardig mogelijk) laten circuleren — herbruikbaarheid en recycling zijn van cruciaal belang voor de circulatie van producten, maar dit wordt versterkt als in de ontwerpfase bijzondere aandacht wordt besteed aan circulariteit voor kwesties als bruikbaarheid, herbruikbaarheid, repareerbaarheid, herproductie en demontage. Factoren zoals het gebruik van biomaterialen en de recirculatie ervan via de biologische cyclus kunnen ook in overweging worden genomen, bijvoorbeeld het gebruik van biologisch afbreekbare dekgewassen in plaats van kunststoffen in de landbouw.Regeneratie van de natuur — waar mogelijk moeten menselijke activiteiten gericht zijn op het regenereren van de natuur en het verbeteren of herstellen van belangrijke ecologische functies (d.w.z. drainage, habitatvoorziening, thermische regulering enz.) die mogelijk verloren zijn gegaan als gevolg van eerdere menselijke activiteiten.

Richtsnoeren voor de totale afvalproductie en voor recycling of hergebruik bestemd afval

De vereisten van punt 38 kunnen worden weggelaten door ondernemingen die alleen huishoudelijk afval produceren. In dergelijke gevallen geeft de onderneming alleen aan dat zij dit soort afval produceert.
Bij de rapportage over gevaarlijk afval overeenkomstig punt 38, a), voldoet de onderneming aan de vereisten inzake radioactief afval van indicator nr. 9 uit tabel 1 van bijlage I bij de verordening betreffende informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector (SFDR) (4). Deze SFDR-indicator (verhouding tussen ton radioactief en gevaarlijk afval) kan worden berekend met behulp van de teller en noemer die de onderneming verstrekt bij de rapportering overeenkomstig punt 38, a).
Kmo’s moeten gevaarlijk en radioactief afval rapporteren als tijdens hun activiteiten dergelijk afval wordt geproduceerd. De toepasselijkheid is afhankelijk van de aanwezigheid van gevaarlijke of radioactieve materialen in bedrijfsprocessen.
Ondernemingen wordt aanbevolen hun gevaarlijk afval in te delen aan de hand van de Europese Afvalcatalogus, kortweg EAC (Beschikking van de Commissie van 18 december 2014 tot wijziging van Beschikking 2000/532/EG betreffende de lijst van afvalstoffen overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad), waarin afvalstoffen per soort worden ingedeeld. Afval dat met een asterisk (*) is aangemerkt, is in de EAC als gevaarlijk ingedeeld, gewoonlijk onder verwijzing dat het gevaarlijke stoffen bevat. Bijvoorbeeld:
medische sector: verontreinigde scherpe voorwerpen zoals naalden en spuiten die in medische omgevingen worden gebruikt (“afval waarvan de inzameling en verwijdering zijn onderworpen aan speciale richtlijnen teneinde infectie te voorkomen”, EAC-code 18 01 03*), cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen (EAC-code 18 01 08*), gebruikte radiofarmaceutica en bepaalde diagnostische apparatuur die radioactief materiaal bevat;
productiesector: gebruikte smeermiddelen en oliën die als gevaarlijk zijn geclassificeerd (EAC-code 13 02 05*);
bouwsector: asbesthoudende materialen (EAC-code 17 09 03*), grond en stenen die gevaarlijke stoffen bevatten (EAC-code 17 05 03*); en
batterijen en accu’s: loodbatterijen (16 06 01*), Ni-Cd-batterijen (16 06 02*), batterijen die kwik bevatten (16 06 03*).
Afvalstoffen worden echter als gevaarlijk beschouwd wanneer zij een of meer van de in bijlage II bij de kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) genoemde gevaarlijke eigenschappen vertonen. Ter vereenvoudiging worden deze hierna samen met de respectieve pictogrammen weergegeven om gevaarlijke eigenschappen zoals ontvlambaarheid, toxiciteit en corrosie te helpen identificeren, wat ertoe kan leiden dat afval als gevaarlijk wordt ingedeeld.
Radioactief afval heeft of kan ook gevaarlijke eigenschappen hebben die het gevaarlijk maken, namelijk kankerverwekkend, mutageen of giftig voor de voortplanting. Niettemin zijn radioactieve stoffen binnen de EU onderworpen aan afzonderlijke regelgeving (Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad). Ondernemingen die radioactief materiaal gebruiken dat radioactief afval kan produceren dat onder de EU-regelgeving valt, moeten hiervan op de hoogte zijn. Radioactief afval moet worden geïdentificeerd op basis van de aanwezigheid van een gehalte aan radionucliden boven de wettelijke goedkeuringsdrempels.
Radioactief afval kan aanwezig zijn in verschillende goederen, zoals medische, onderzoeks- en industriële apparatuur, rookmelders of slib.
Hierna worden gevarenpictogrammen gegeven voor elke gevarenklasse.

Gevarenpictogram

Tekst, symbool en klasse symbool

Wat betekent dit?

Image 6

“Gas onder druk”

Symbool: gasfles

Fysiek gevaar

Bevat gas onder druk; kan ontploffen bij verwarming.
Bevat sterk gekoeld gas; kan cryogene brandwonden of letsel veroorzaken.

Image 7

“Ontplofbaar”

Symbool: ontploffende bom

Fysiek gevaar

Instabiele ontplofbare stoffen
Ontplofbare stof; gevaar voor massaexplosie.
Ontplofbare stof; ernstig gevaar voor scherfwerking.
Ontplofbare stof; gevaar voor brand, luchtdrukwerking of scherfwerking.
Gevaar voor massa-explosie bij brand

Image 8

“Oxiderend”

Symbool: vlam boven een cirkel

Fysiek gevaar

Kan brand veroorzaken of bevorderen; oxiderend.
Kan brand of ontploffingen veroorzaken; sterk oxiderend.

Image 9

“Ontvlambaar”

Symbool: vlam

Fysiek gevaar

Zeer licht ontvlambaar gas
Ontvlambaar gas
Zeer licht ontvlambare aerosol
Ontvlambare aerosol
Licht ontvlambare vloeistof en damp
Ontvlambare vloeistof en damp
Ontvlambare vaste stof

Image 10

“Corrosief”

Symbool: corrosie

Fysiek gevaar/gezondheidsgevaar

Kan bijtend zijn voor metalen
Veroorzaakt ernstige brandwonden en oogletsel

Image 11

“Gezondheidsgevaar/gevaarlijk voor de ozonlaag”

Symbool: uitroepteken

Gezondheidsgevaar

Kan irritatie van de luchtwegen veroorzaken
Kan slaperigheid of duizeligheid veroorzaken
Kan een allergische huidreactie veroorzaken
Veroorzaakt ernstige oogirritatie
Veroorzaakt huidirritatie
Schadelijk bij inslikken
Schadelijk bij contact met de huid
Schadelijk bij inademing
Schadelijk voor de volksgezondheid en het milieu door afbraak van ozon in de bovenste lagen van de atmosfeer

Image 12

“Acute toxiciteit”

Symbool: doodshoofd met gekruiste beenderen

Gezondheidsgevaar

Dodelijk bij inslikken
Dodelijk bij contact met de huid
Dodelijk bij inademing
giftig: bij inslikken
Giftig bij contact met de huid
Giftig bij inademing

Image 13

“Ernstig gezondheidsgevaar”

Symbool: gezondheidsgevaar

gezondheidsgevaar

Kan dodelijk zijn als de stof bij inslikken in de luchtwegen terechtkomt
Veroorzaakt schade aan organen
Kan schade aan organen veroorzaken
Kan de vruchtbaarheid of het ongeboren kind schaden
Wordt ervan verdacht de vruchtbaarheid of het ongeboren kind te schaden
Kan kanker veroorzaken
Verdacht van het veroorzaken van kanker
Kan genetische schade veroorzaken
Verdacht van het veroorzaken van genetische schade
Kan bij inademing allergie- of astmasymptomen of ademhalingsmoeilijkheden veroorzaken

Image 14

“Gevaarlijk voor het milieu”

Symbool: milieu

Gevaar voor het milieu

Zeer giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen
Giftig voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen
Pictogrammen die verwijzen naar gevaarlijke eigenschappen, bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (CLP-verordening).
Wanneer de onderneming informatie over haar afvalproductie of omleiding van verwijdering presenteert, moet zij die informatie bij voorkeur in gewichtseenheden (bv. kg of ton) rapporteren. Indien de onderneming de gewichtseenheden echter als een ongeschikte eenheid beschouwt, kan zij in plaats daarvan de bovengenoemde parameters als volume (bv. m3) vermelden.
Bij het rapporteren van informatie over de totale jaarlijkse hoeveelheid afval die wordt omgeleid naar recycling of hergebruik, moet de onderneming rekening houden met het afval dat wordt gesorteerd en naar recycling- of hergebruikexploitanten wordt verzonden (bv. de hoeveelheid afval die via recyclingcontainers wordt afgevoerd of die wordt gesorteerd in bepaalde categorieën materialen en daarna wordt aangeboden bij afvalverwerkingsinstallaties) in plaats van de hoeveelheid afval die daadwerkelijk wordt gerecycled of hergebruikt.
Bij het verstrekken van informatie over afvalstoffen kan de onderneming de volgende tabellen gebruiken.

Hoeveelheid geproduceerd afval (bv. in tonnen)

Totale hoeveelheid geproduceerd afval, waarvan:

Afval herbestemd voor recycling of hergebruik

Afval bestemd voor verwijdering

Niet-gevaarlijk afval

Soort afval 1

Soort afval 2

...

Gevaarlijk afval

Soort afval 1

...

Voorbeelden van gevaarlijk afval dat kleine bedrijven kunnen genereren, zijn batterijen, afgewerkte olie, pesticiden, kwikhoudende apparatuur en TL-lampen.
De onderneming kan verdere uitsplitsingen verstrekken waarin nadere soorten niet-gevaarlijk en gevaarlijk afval worden gespecificeerd. Daarbij kan zij rekening houden met de lijst van afvalbeschrijvingen in de sociale parameters van de Europese Afvalcatalogus.

Richtsnoeren voor de jaarlijkse massastroom van de gebruikte relevante materialen

De jaarlijkse massastroom is een indicator die is afgestemd op de EMAS-vereisten inzake de efficiëntie van het materiaalverbruik en illustreert de afhankelijkheid van een onderneming van specifieke materialen bij haar activiteiten (bv. hout en staal voor de bouwsector). De onderneming moet informatie verstrekken over de materialen die zij gebruikt, met inbegrip van zowel de materialen die bij leveranciers zijn afgenomen als de materialen die intern bij de productie zijn betrokken. Om de jaarlijkse massastroom van de gebruikte relevante materialen te berekenen, moet de onderneming eerst de specifieke belangrijkste materialen identificeren waarvan haar activiteiten afhankelijk zijn en waarvoor de materiaalefficiëntie moet worden beoordeeld (bv. materiaalefficiëntie van hout). Indien verschillende soorten materialen worden gebruikt, moet de onderneming de jaarlijkse massastroom (d.w.z. het totale gewicht voor elk gebruikt relevant materiaal, bv. tonnen aangekocht hout) voor elk belangrijk materiaal op passende wijze afzonderlijk verstrekken, bijvoorbeeld door deze uit te splitsen op basis van het gebruik (EMAS-leidraad). De massastroom van gebruikte relevante materialen is het resultaat van de som van het gewicht van alle gebruikte materialen, met inbegrip van grondstoffen, hulpstoffen, inputmaterialen, halffabricaten of andere materialen (met uitzondering van energiebronnen en water). Deze indicator wordt bij voorkeur uitgedrukt in gewichtseenheden (bv. kilogram of tonnen), volume-eenheden (bv. m3) of andere metrische eenheden die gewoonlijk in de sector worden gebruikt.

Richtsnoeren voor het identificeren van productie-, constructie- en/of verpakkingsprocessen

Om productie-, constructie- en/of verpakkingsprocessen te identificeren, kan de onderneming verwijzen naar de activiteiten die vallen onder sectie C — Productie, sectie F — Bouwnijverheid, en klasse O82.92, “Activiteiten van verpakkingsbedrijven”, van bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/137.
B8

Personeel — Algemene kenmerken

Voltijdequivalent (vte) is het aantal voltijdse functies binnen een onderneming. Dit aantal kan worden berekend door het aantal geplande uren van een werknemer (het totale aantal effectieve gewerkte uren in een week) te delen door het aantal uren van de werkgever voor een voltijdse werkweek (het totale aantal uren gewerkt door voltijdse werknemers). Een werknemer die bijvoorbeeld 25 uur per week werkt voor een bedrijf waar de voltijdse week 40 uur is, vertegenwoordigt 0,625 vte (d.w.z. 25/40 uur).
Het aantal werkzame personen is het totale aantal werknemers van de onderneming dat aan het einde van de verslagperiode of als gemiddelde over de verslagperiode is gerapporteerd.

Richtsnoeren voor het presenteren van informatie over de soorten arbeidsovereenkomsten van werknemers

De volgende tabel toont hoe informatie over werknemers per soort arbeidsovereenkomst kan worden weergegeven.

Soort arbeidsovereenkomst

Aantal werknemers (aantal werkzame personen of voltijdequivalenten)

Tijdelijk contract

Vast contract

Totaal aantal werknemers

De onderstaande tabel toont hoe informatie over werknemers per gender kan worden weergegeven.

Gender

Aantal werknemers (aantal werkzame personen of voltijdequivalenten)

Man

Vrouw

Overig

Niet gerapporteerd

Totaal aantal werknemers

In sommige EU-lidstaten bestaat de mogelijkheid voor mensen om zich juridisch te laten registreren als iemand met een derde – vaak neutraal – gender. Dat is in de bovenstaande tabel de categorie “Overig”. Indien de onderneming echter gegevens rapporteert over werknemers voor wie dat onderscheid niet mogelijk is, kan zij dit toelichten en aangeven dat de categorie “Overig” niet van toepassing is. De categorie “Niet gerapporteerd” is van toepassing op werknemers die hun genderidentiteit niet bekendmaken.
De volgende tabel laat zien hoe informatie over werknemers per land kan worden gepresenteerd.

Land (van arbeidsovereenkomst)

Aantal werknemers (aantal werkzame personen of voltijdequivalenten)

Land A

Land B

Land C

Land D

Totaal aantal werknemers

De definities en soorten arbeidsovereenkomsten kunnen per land verschillen. Indien de onderneming in meer dan één land werknemers heeft, gebruikt zij voor het berekenen van de gegevens op landniveau de juridische definities uit de nationale wetgeving van de landen waar de werknemers gebaseerd zijn. Deze gegevens op landniveau worden vervolgens opgeteld om totale aantallen te berekenen, waarbij verschillen in definities in de nationale wetgevingen buiten beschouwing worden gelaten.
Onder het personeelsverloop van werknemers wordt verstaan het aantal werknemers dat de onderneming vrijwillig verlaat of als gevolg van ontslag, pensionering of overlijden tijdens dienstjaren.
Voor de berekening van het personeelsverloop moet de volgende formule worden gebruikt:
Formula

B9

Personeel — Gezondheid en veiligheid

Richtsnoeren betreffende het percentage te registreren arbeidsongevallen

Op basis van de veronderstelling dat één voltijdse werknemer 2 000 uur per jaar werkt, geeft het percentage het aantal arbeidsongevallen per 100 voltijdse werknemers over de periode van een jaar aan. Indien de onderneming het aantal gewerkte uren niet rechtstreeks kan berekenen, kan zij dit ramen op basis van normale of standaardarbeidsuren.
Om het percentage te registreren arbeidsongevallen van werknemers te berekenen, moet de volgende formule worden gebruikt:
Formula

Voorbeeld
Onderneming A heeft in het verslagjaar drie arbeidsongevallen gemeld. Onderneming A heeft 40 werknemers, en een totaal aantal van 80 000 gewerkte uren (40 x 2 000) in een jaar.Het aantal geregistreerde arbeidsongevallen bedraagt 3/80 000 x 200 000 = 7,5.

Richtsnoeren voor het aantal sterfgevallen als gevolg van arbeidsongevallen en beroepsziekten

Arbeidsongevallen en beroepsziekten komen voort uit blootstelling aan gevaren op het werk.
In het geval van telewerken zijn letsel en slechte gezondheid arbeidgerelateerd als het letsel of de slechte gezondheid rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van het werk in plaats van met de algemene thuisomgeving.
Letsel en slechte gezondheid die zich voordoen terwijl een persoon voor werk op reis is, worden beschouwd als arbeidgerelateerd als de werknemer werkactiviteiten verrichtte in het belang van de werkgever op het moment van het letsel of de slechte gezondheid. Ongevallen die zich voordoen tijdens het reizen, buiten de verantwoordelijkheid van de onderneming (d.w.z. regelmatig woon-werkverkeer van en naar het werk), vallen onder de toepasselijke nationale wetgeving, die de indeling ervan met betrekking tot de vraag of zij al dan niet als arbeidgerelateerd worden beschouwd, regelt.
Psychische aandoeningen worden als arbeidgerelateerd beschouwd als deze vrijwillig door de werknemer zijn gemeld en als ook een gediplomeerde zorgverlener verklaart en rapporteert dat de betreffende aandoening inderdaad arbeidgerelateerd is. Gezondheidsproblemen als gevolg van roken, drugs- en alcoholmisbruik, lichamelijke inactiviteit, ongezonde voeding en psychosociale factoren die geen verband houden met het werk, worden niet als arbeidgerelateerd beschouwd.
De onderneming kan sterfgevallen als gevolg van een arbeidsongeval en sterfgevallen als gevolg van een beroepsziekte afzonderlijk rapporteren.
B10

Personeel — Vergoeding, collectieve onderhandelingen en opleiding

Richtsnoeren betreffende beloning: minimumlonen

“Minimumloon” verwijst naar de minimumvergoeding voor arbeid per uur of een andere tijdseenheid. Afhankelijk van het land kan het minimumloon rechtstreeks bij wet of via collectieve onderhandelingen tot stand gekomen overeenkomsten (cao’s) worden vastgesteld. De onderneming verwijst naar het toepasselijke minimumloon voor het land waarover zij rapporteert.
Voor de laagste beloningscategorie, met uitzondering van stagiairs en leerlingen, dient het minimumloon als basis voor de berekening van het instaploon. Daarom omvat het instaploon een beloning die gelijk is aan het minimumloon, evenals eventuele aanvullende vaste betalingen die worden gegarandeerd aan werknemers in die categorie.

Richtsnoeren betreffende beloning: het procentuele beloningsverschil tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers

De parameter voor het procentuele beloningsverschil tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers heeft betrekking op het beginsel van gendergelijkheid, dat gelijke beloning voor gelijk werk voorschrijft. Het beloningsverschil wordt omschreven als het verschil tussen de gemiddelde beloning van vrouwelijke werknemers en mannelijke werknemers, uitgedrukt als een percentage van het gemiddelde beloningsniveau van mannelijke werknemers.
Om deze parameter te berekenen, moeten alle werknemers in de berekening worden opgenomen. Daarnaast moeten er twee afzonderlijke berekeningen zijn voor de gemiddelde beloning van vrouwelijke en mannelijke werknemers. Zie de volgende formule:
Formula

Afhankelijk van het beloningsbeleid van de onderneming heeft de brutobeloning betrekking op alle volgende elementen:
het basissalaris, d.w.z. de som van gegarandeerde, kortetermijn- en niet-variabele contante beloningen;
voordelen in geld, d.w.z. de som van het basissalaris en toeslagen in contanten, bonussen, provisies, winstdeling in contanten en andere vormen van variabele contante betalingen; en
verstrekkingen (5).
De brutobeloning is de som van alle hiervoor genoemde toepasselijke elementen.
De gemiddelde brutobeloning per uur is de wekelijkse/jaarlijkse brutobeloning gedeeld door het gemiddelde aantal gewerkte uren per week/jaar. Voorbeeld
Onderneming A heeft in totaal X mannelijke werknemers en Y vrouwelijke werknemers. De brutobeloning per uur van mannelijke werknemers bedraagt 15 EUR en de brutobeloning per uur van vrouwelijke werknemers 13 EUR.
De gemiddelde brutobeloning per uur van mannelijke werknemers is de som van al hun brutobeloningen per uur gedeeld door het totale aantal mannelijke werknemers. De gemiddelde brutobeloning per uur van vrouwelijke werknemers is de som van al hun brutobeloningen per uur gedeeld door het totale aantal vrouwelijke werknemers.
De formule die wordt gebruikt om het procentuele beloningsverschil tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers te berekenen, is:
Formula

Richtsnoeren voor collectieve onderhandelingen

De werknemers die door via collectieve onderhandelingen tot stand gekomen overeenkomsten (cao’s) zijn gedekt, zijn de personen op wie de onderneming verplicht is de overeenkomst toe te passen. Als een werknemer onder meer dan één via collectieve onderhandelingen tot stand gekomen overeenkomst (cao) valt, hoeft deze slechts eenmaal te worden geteld. Indien geen van de werknemers onder een via collectieve onderhandelingen tot stand gekomen overeenkomst (cao) valt, is het gerapporteerde percentage nul.
Het percentage werknemers dat valt onder via collectieve onderhandelingen tot stand gekomen overeenkomsten (cao’s) (dekkingsgraad), wordt aan de hand van de volgende formules berekend:
Formula

De informatie die op grond van deze rapporteringsverplichting vereist is, kan als dekkingsgraad worden gerapporteerd indien tussen 0-19 %, 20-39 %, 40-59 %, 60-79 % of 80-100 % onder de collectieve onderhandelingen vallen.
Dit vereiste is niet bedoeld om het percentage te verkrijgen van de werknemers die worden vertegenwoordigd door een ondernemingsraad of die bij een vakbond zijn aangesloten; dat kan verschillen. Het percentage werknemers dat door via collectieve onderhandelingen tot stand gekomen overeenkomsten (cao’s) is gedekt, kan immers hoger zijn dan het percentage werknemers dat bij een vakbond is aangesloten, wanneer de via collectieve onderhandelingen tot stand gekomen overeenkomsten (cao’s) van toepassing zijn op zowel leden als niet-leden van een vakbond.
B11

Veroordelingen en boetes voor corruptie en omkoping

Corruptie en omkoping vallen onder de duurzaamheidskwestie van zakelijk gedrag.
Op grond van punt 43 rapporteert de onderneming over het totale aantal veroordelingen en het totale bedrag van de geldboetes die zijn opgelegd wegens overtredingen van de anticorruptie- en antiomkopingswetgeving.

Richtsnoeren voor veroordelingen

Veroordelingen wegens overtredingen van de anticorruptie- en antiomkopingswetgeving hebben betrekking op elk vonnis dat een strafrechter oplegt aan een persoon of onderneming met betrekking tot een strafbaar feit in verband met corruptie en omkoping, bijvoorbeeld wanneer deze rechterlijke beslissingen zijn vastgelegd in het strafregister van de lidstaat van de Europese Unie waar de veroordeling is uitgesproken.

Richtsnoeren voor geldboetes

Boetes die zijn opgelegd wegens overtredingen van de anticorruptie- en antiomkopingswetgeving verwijzen naar verplichte geldelijke sancties als gevolg van schendingen van de wetgeving tegen corruptie en omkoping die zijn opgelegd door een rechter, commissie of andere overheidsinstantie, die worden betaald aan de schatkist.

Uitgebreide module: richtsnoeren

De richtsnoeren in de volgende afdelingen zijn bedoeld om de toepassing van de vereisten inzake duurzaamheidsrapportering in de punten 44 tot en met 65 van bijlage I bij de aanbeveling van de Commissie betreffende een vrijwillige duurzaamheidsrapporteringsstandaard voor kleine en middelgrote ondernemingen te vergemakkelijken.
De volgende richtsnoeren zijn bedoeld als onderdeel van een ecosysteem dat ook de ontwikkeling zou kunnen omvatten van ondersteunende handleidingen door de EFRAG, digitale instrumenten en ondersteuning bij de uitvoering (opleidingsactiviteiten, betrokkenheid van belanghebbenden enz.) die tot doel hebben het een aantal technische elementen in de richtsnoeren te vergemakkelijken.
Deze richtsnoeren zijn bedoeld om het opstellen van parameters in de uitgebreide module te ondersteunen.
C1

Strategie: Bedrijfsmodel en duurzaamheid — Gerelateerde initiatieven

Bij de beschrijving van de belangrijkste relaties tussen consumenten en leveranciers overeenkomstig punt 47, c), moet de onderneming het geschatte aantal leveranciers en de daarmee verband houdende sectoren en geografische gebieden (d.w.z. landen) vermelden.
C2

Beschrijving van praktijken, beleid en toekomstige initiatieven voor de transitie naar een duurzamere economie

Ondernemingen kunnen de volgende template gebruiken om te rapporteren over C2-datapunten.

Indien u bij rubriek B2 “JA” hebt geantwoord bij de vraag over bestaande praktijken/beleid/toekomstige initiatieven, beschrijf deze dan kort samen met de daaruit voortvloeiende acties. (Indien de praktijk/het beleid/het toekomstige initiatief betrekking heeft op leveranciers of klanten, moet de onderneming dit vermelden.)

Indien u bij rubriek B2 “JA” hebt geantwoord bij de vraag over de streefcijfers, licht dit antwoord dan toe.

De onderneming kan het hoogste functieniveau binnen haar personeelsbestand aangeven dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het beleid wanneer dit door de onderneming is vastgesteld.

Klimaatverandering

Verontreiniging

Water en mariene hulpbronnen

Biodiversiteit en ecosystemen

Circulaire economie

Personeel

Werknemers in de waardeketen

Getroffen gemeenschappen

Consumenten en eindgebruikers

Zakelijk gedrag

Aandachtspunten bij rapportering broeikasgasemissies onder rubriek B3 (basismodule)

Bij het bepalen of er informatie over groep 3 moet worden verstrekt overeenkomstig punt 50, kan de onderneming de eigen totale broeikasgasemissies van groep 3 screenen op basis van de 15 categorieën voor groep 3 die in het BKG-protocol zijn vastgesteld, met behulp van passende ramingen en deze gegevens daarna rapporteren door middel van het opnemen van een verwijzing. Zo is het mogelijk om de significante scope 3-categorieën te identificeren en rapporteren op basis van de omvang van de geraamde broeikasgasemissies en andere criteria vastgesteld door de GHG Protocol Corporate Value Chain (Scope 3) Accounting and Reporting Standard (versie 2011, blz. 61 en blz. 65 tot en met 68) of EN ISO 14064-1:2018, bijlage H.3.2, zoals financiële uitgaven, invloed, verbonden transitierisico’s en -kansen of opvattingen van stakeholders.
Kmo’s die actief zijn op het gebied van productie-, agrovoedings-, vastgoed-, bouw- en verpakkingsprocessen, zullen waarschijnlijk aanzienlijke groep 3-categorieën hebben (technische nota CDP: Relevance of Scope 3 Categories by Sector, 2024), die relevant kunnen worden geacht voor rapportage in de sector van de onderneming.
C3

Streefcijfers voor broeikasgasreductie en klimaattransitie

Emissiereducties kunnen zowel een uitdaging als een kans blijken te zijn voor een onderneming, omdat er vaak veranderingen in de strategische en operationele realiteit van het bedrijf voor nodig zijn. De doelstelling om de emissies terug te dringen kan een herziening van de strategische en financiële prioriteiten vereisen. Decarbonisatie kan aanzienlijke initiële investeringen vergen in bijvoorbeeld de elektrificatie van het wagenpark, de toepassing van nieuwe technologieën om het energieverbruik te verminderen of de ontwikkeling van nieuwe productlijnen die minder afhankelijk zijn van koolstofintensieve materialen. Anderzijds kan de toepassing van koolstofarme oplossingen om de broeikasgasemissies te verminderen de kosten van ingekochte energie en materialen aanzienlijk verlagen. Ondernemingen die aan hun decarbonisatietraject beginnen, worden vaak geconfronteerd met significante aanpassingen van hun bedrijfsmodellen of dagelijkse activiteiten. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een onderneming voor logistieke en bezorgdiensten haar wagenparkbeheer opnieuw moet ontwerpen om mogelijke verstoringen van de dienstverlening vanwege het regelmatig moeten opladen van voertuigen tot een minimum te beperken. Een producent van consumptiegoederen die van plan is een onderdeel van zijn product te vervangen door een duurzaam, koolstofarm alternatief, moet mogelijk tijd en middelen besteden aan productinnovatie en het zoeken naar nieuwe leveranciers. Deze inspanningen kunnen op hun beurt leiden tot lagere kosten, toegang tot nieuwe markten, nieuwe banen en extra financieringsbronnen, waardoor de vermindering van broeikasgasemissies niet alleen een uitdaging is, maar ook een strategische zakelijke kans. In dit verband zijn streefcijfers voor broeikasgasreducties een belangrijke maatregel om tegemoet te komen aan de behoefte aan een duurzame transitie, aangezien ondernemingen hiermee de verandering op een systematische, gecontroleerde en georganiseerde manier kunnen beheren.
Een streefcijfer voor broeikasgasemissiereductie is een verbintenis om de broeikasgasemissies van de onderneming in een toekomstig jaar te verminderen ten opzichte van de broeikasgasemissies die tijdens een gekozen basisjaar zijn gemeten. Acties die tot emissiereducties kunnen leiden, zijn bijvoorbeeld elektrificatie, gebruik van hernieuwbare elektriciteit, ontwikkeling van duurzame producten enz. Voor rubriek C3 is vereist dat de onderneming de streefcijfers voor broeikasgasemissiereductie voor haar emissies van groepen 1 en 2 rapporteert.
Verwijderingen en vermeden emissies worden niet in aanmerking genomen als vermindering van de brutobroeikasgasemissies van de onderneming. Dit komt omdat er een belangrijk verschil is tussen de boekhoudpraktijken voor de brutobroeikasgasemissies (inventarisboekhouding) en voor de broeikasgasverwijderingen en vermeden emissies (projectmatige of interventieboekhouding). De brutobroeikasgasemissies van de onderneming zijn bedoeld om de werkelijke emissies in het milieu te volgen en bieden een consistente en vergelijkbare basiswaarde om streefcijfers voor broeikasgas vast te stellen. De vermeden emissies en koolstofverwijderingen hebben daarentegen betrekking op specifieke projectactiviteiten van de onderneming, wat betekent dat de boekhouding ervan gescheiden wordt gehouden van de brutobroeikasgasemissies.
Om dit goed te doen, moet de onderneming een onderscheid maken tussen brutobroeikasgasemissies en andere impacts die hier niet in worden opgenomen, zoals broeikasgasverwijderingen en vermeden emissies. Met verwijderingen wordt het onttrekken van broeikasgassen aan de atmosfeer als gevolg van bewust menselijke handelen bedoeld. Voorbeelden van dergelijke activiteiten zijn plantengroei (overdracht van atmosferisch CO2 door fotosynthese) en directe afvang van CO2 in de lucht, en zijn meestal gekoppeld aan de daaropvolgende opslag van CO2. De vermeden broeikasgasemissies worden doorgaans aangeduid als emissies die anders zouden hebben plaatsgevonden, maar die als gevolg van de activiteiten van de onderneming niet hebben plaatsgevonden. Hierbij kan het onder meer gaan om de introductie van nieuwe producten en technologieën die de vraag naar hun koolstofintensieve equivalenten doen verminderen, bijvoorbeeld oplossingen voor de isolatie van gebouwen waardoor er in dat gebouw minder energie wordt verbruikt. Meer informatie over de concepten met betrekking tot koolstofverwijderingen en vermeden emissies is te vinden in de GHG Protocol Land Sector and Removals Guidance.
Een basisjaar is een voorgaand jaar aan de hand waarvan de huidige broeikasgasemissies van de onderneming kunnen worden gemeten. In het algemeen moet het basisjaar een recent en representatief jaar zijn wat betreft de broeikasgasemissies van de onderneming, waarvoor verifieerbare gegevens beschikbaar zijn.
Het streefjaar is het jaar in de toekomst waarin de onderneming ernaar streeft een bepaalde absolute of procentuele broeikasgasemissiereductie te bereiken. Voor streefcijfers op de korte termijn moet dit een periode zijn van één tot drie jaar vanaf het basisjaar. Streefcijfers voor de lange termijn kunnen ook worden opgenomen, bijvoorbeeld voor perioden van twintig of dertig jaar (bv. 2040 of 2050). Ondernemingen worden aangemoedigd om ten minste streefcijfers op te nemen voor het kortetermijnstreefjaar 2030 en, indien haalbaar, voor het langetermijnjaar 2050. Voor de periode na 2030 wordt aanbevolen om het basisjaar en het streefjaar voor het streefcijfer voor broeikasgasemissiereductie na elke periode van vijf jaar bij te werken.
Om een streefcijfer vast te stellen, moeten ondernemingen rekening houden met de bestaande wetenschappelijke gegevens over de mitigatie van broeikasgasemissies. In het SBTi wordt een sectoroverschrijdend streefcijfer voor broeikasgasemissiereductie aangeraden van –42 % tegen 2030 en –90 % tegen 2050 (met 2020 als basisjaar). In het SBTi wordt ook een gestroomlijnde route voorgesteld voor het vaststellen van streefcijfers voor kleine en middelgrote ondernemingen (6). Er bestaan ook specifieke trajecten per sector en ondernemingen kunnen hiermee rekening houden bij het vaststellen van hun streefcijfers voor broeikasgasemissiereductie.
Om een snelle reductie van zowel directe als indirecte emissies te bereiken, zijn er enkele eenvoudige acties die de onderneming kan ondernemen. Sommige acties kunnen gemakkelijk zijn, maar kunnen nog steeds een aanzienlijke emissiereductie opleveren en de onderneming ondersteunen bij het bereiken van haar streefcijfers. Zo zal elektrificatie van het wagenpark door het vervangen van voertuigen op fossiele brandstof door elektrische voertuigen leiden tot emissiereductie zodra het vorige wagenpark wordt vervangen. Dit kan een aanzienlijke emissiereductie opleveren, vooral voor een onderneming die afhankelijk is van vervoer. Evenzo is het vervangen van woon-werkverkeer en zakenreizen met de auto door koolstofarme alternatieven zoals de fiets of het openbaar vervoer een doeltreffende, eenvoudige en haalbare decarbonisatiemaatregel. Ander laaghangend fruit is het evalueren van het interne energiebeheer en upgraden ervan naar energie-efficiënte apparatuur en het integreren van onderhoud in routinematige bedrijfsactiviteiten. Door apparatuur en machines regelmatig te onderhouden en waar mogelijk te vervangen door energie-efficiëntere alternatieven, kan de onderneming haar energieverbruik verminderen. Voorbeelden van dit soort apparatuur of machines zijn ketels, telecommunicatiesystemen, warmtepompen, airconditioning enz. Door regelmatig onderhoud kan de efficiënte werking van apparatuur worden gewaarborgd, slijtage worden geminimaliseerd en afval tot een minimum worden beperkt. Door systemen ook te automatiseren en timers te gebruiken om gebruiksperioden vast te stellen, kan de onderneming de emissies van dergelijke apparatuur nog verder verlagen.
Een klimaattransitieplan voor klimaatmitigatie omvat een reeks acties voor nu en de toekomst, bedoeld om het bedrijfsmodel, de strategie en de activiteiten van de onderneming af te stemmen op de belangrijkste overkoepelende mondiale doelstelling om de opwarming van de aarde tot 1,5 °C te beperken. Een transitieplan, ondersteund door een met dat doel verenigbaar streefcijfer voor broeikasgasreductie, is belangrijk om inzicht te krijgen in de middelen waarmee de onderneming de stap kan maken richting een koolstofarme economie en tegelijkertijd de geboekte vooruitgang kan monitoren. Een transitieplan dient als een mechanisme voor verantwoording en transparantie, en kan ondernemingen ertoe aanzetten geloofwaardige trajecten te ontwikkelen om acties door te voeren op het gebied van klimaatmitigatie.
Het opstellen van een geloofwaardig transitieplan voor de onderneming moet worden ondersteund door elementen zoals a) het vaststellen van duidelijke verantwoordelijkheden en rollen; b) de integratie van het plan in de bedrijfsstrategie en financiële planning van de onderneming; c) de opname van informatie over de decarbonisatiehefbomen en -trajecten, alsmede kwantificeerbare indicatoren die gedurende vooraf vastgestelde tijdsperioden kunnen worden gemonitord; d) het mogelijk maken van regelmatige evaluaties en actualisering na raadpleging van belanghebbenden, indien van toepassing; en e) de toepassing op alle eigen activiteiten en, zo veel mogelijk, de waardeketen of het geven van uitleg over eventuele beperkingen.
Ondernemingen die overeenkomstig bijlage IV, B, punt d), van de EMAS-verordening streefcijfers bekendmaken, kunnen de streefcijfers voor broeikasgasreductie gebruiken om aan de VSME-vereiste te voldoen indien dergelijke streefcijfers zijn vastgesteld. De onderneming kan deze rapportering ook onderbouwen door het EMAS-milieubeheersysteem uit te voeren en een koppeling te maken met EN ISO 14001:2015, zoals uiteengezet in bijlage II, B, delen A.6.2.1 en B.5 (milieudoelstellingen), van de EMAS-verordening.

Richtsnoeren voor het identificeren van productie-, constructie- en/of verpakkingsprocessen

Om productie-, constructie- en/of verpakkingsprocessen te identificeren, kan de onderneming verwijzen naar de activiteiten die vallen onder sectie C — Productie, sectie F — Bouwnijverheid, en klasse O82.92, “Activiteiten van verpakkingsbedrijven”, van bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2023/137.
C4

Klimaatrisico’s

Klimaatgerelateerde gevaren zijn aanjagers van fysieke klimaatrisico’s die voortvloeien uit de effecten van klimaatverandering op de onderneming. Zij kunnen worden ingedeeld in acute gevaren die het gevolg zijn van bepaalde gebeurtenissen (zoals droogte, overstromingen, extreme neerslag en bosbranden) en chronische gevaren (zoals veranderende temperaturen, stijging van de zeespiegel en bodemerosie), die het gevolg zijn van klimaatverandering op langere termijn (Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie). Fysieke risico’s zijn een functie van klimaatgerelateerde gevaren, de blootstelling van de activa en activiteiten van de onderneming aan deze gevaren en de gevoeligheid van de onderneming voor deze gevaren. Voorbeelden van klimaatgerelateerde gevaren zijn hittegolven, verhoogde frequentie van extreme weergebeurtenissen, stijging van de zeespiegel, doorbraken van gletsjermeren en veranderingen in neerslag- en windpatronen. Fysieke klimaatrisico’s kunnen worden geïdentificeerd en gemodelleerd aan de hand van klimaatscenario’s waarin rekening wordt gehouden met trajecten met hoge emissies, zoals IPCC SSP5-8.5.
Klimaatgerelateerde transitiegebeurtenissen kunnen (volgens de aanbevelingen van de taskforce voor de openbaarmaking van klimaatgerelateerde financiële informatie (TCFD), 2017) zijn gebaseerd op beleid en wetgeving (bv. aangescherpte verplichtingen inzake emissierapportering), op technologie (bv. de kosten van de transitie naar emissiearmere technologie), op de markt (bv. hogere kosten van grondstoffen) en op reputatie (bv. toegenomen zorgen van stakeholders).
Bruto klimaatgerelateerde risico’s hebben betrekking op bruto fysieke risico’s en bruto transitierisico’s die kunnen voortvloeien uit de blootstelling van de activa en bedrijfsactiviteiten van de onderneming aan klimaatgerelateerde gevaren.
C5

Aanvullende (algemene) kenmerken van het personeelsbestand

Om de verhouding tussen vrouwen en mannen te bepalen, deelt u het aantal vrouwelijke werknemers door het aantal mannelijke werknemers op managementniveau. Dit geeft het aandeel van vrouwen ten opzichte van mannen in uw onderneming.
Formula

Het managementniveau wordt beschouwd als het niveau onder de raad van bestuur, tenzij de onderneming hiervoor een specifieke definitie hanteert.
Als er bijvoorbeeld 28 vrouwelijke werknemers en 84 mannelijke werknemers op managementniveau zijn, is de verhouding tussen vrouwen en mannen 1 op 3, wat betekent dat er voor elke vrouw op managementniveau drie mannen zijn.
Relevante factoren waarmee een onderneming rekening moet houden bij haar besluit om al dan niet het aantal zelfstandigen en tijdelijke arbeidskrachten overeenkomstig punt 60 te rapporteren, zijn: 1) de verhouding tussen werknemers en zelfstandigen en tijdelijke arbeidskrachten, met name in het geval van een aanzienlijke en/of toenemende afhankelijkheid, of 2) wanneer het risico van een negatieve sociale impact op zelfstandigen of tijdelijke arbeidskrachten groter is dan op de eigen werknemers van de onderneming.
De volgende tabel laat zien hoe informatie kan worden verstrekt over zelfstandigen zonder personeel die uitsluitend voor de onderneming werken en over tijdelijke arbeidskrachten, uitgezonden door ondernemingen die zich voornamelijk bezighouden met arbeidsbemiddeling en personeelswerk.

Soorten medewerkers

Aantal zelfstandigen en tijdelijke arbeidskrachten dat een beroepsactiviteit uitoefent

Totaal aantal zelfstandigen zonder personeel dat uitsluitend voor de onderneming werkt

Totaal aantal tijdelijke arbeidskrachten, uitgezonden door ondernemingen die zich voornamelijk bezighouden met arbeidsbemiddeling en personeelswerk.

Ondernemingen kunnen verwijzen naar NACE-code O78 voor tijdelijke arbeidskrachten die worden uitgezonden door ondernemingen die zich voornamelijk bezighouden met “arbeidsbemiddeling en personeelswerk”.
C6

Aanvullende informatie over het personeel — Mensenrechtenbeleid en -processen

Ondernemingen die over een due-diligence-procedure voor mensenrechten beschikken, kunnen deze vraag met “JA” beantwoorden en de inhoud van het beleid en/of de processen verduidelijken met behulp van het vervolgkeuzemenu toelichten.
C7

Ernstige negatieve incidenten met betrekking tot mensenrechten

Met een “bevestigd incident” wordt bedoeld een via een formeel proces bij de onderneming of bevoegde autoriteiten geregistreerde juridische actie of klacht, of een geval van niet-naleving dat door de onderneming is geïdentificeerd via vastgestelde procedures. Bij vastgestelde procedures om gevallen van niet-naleving te identificeren, kan het gaan om audits van het beheersysteem, formele monitoringprogramma’s of klachtenmechanismen.
C8

Ontvangsten uit bepaalde sectoren en uitsluiting van EU-referentiebenchmarks

Fossiele brandstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 62, van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad, zijn niet-hernieuwbare, op koolstof gebaseerde energiebronnen zoals vaste brandstoffen, aardgas en olie.
De productie van chemische stoffen heeft betrekking op de activiteiten die zijn vermeld in afdeling 20.2, sectie C, van bijlage I bij Verordening (EU) 2023/137, d.w.z. de productie van verdelgingsmiddelen en andere chemische producten voor de landbouw.
Zoals gedefinieerd in artikel 12, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/1818 van de Commissie zijn de volgende ondernemingen uitgesloten van op de Overeenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks:
ondernemingen die 1 % of meer van hun inkomsten halen uit de exploratie, ontginning, winning, distributie of raffinage van steen- en bruinkool;
ondernemingen die 10 % of meer van hun inkomsten halen uit de exploratie, winning, distributie of raffinage van oliebrandstoffen;
ondernemingen die 50 % of meer van hun inkomsten halen uit de exploratie, winning, vervaardiging of distributie van gasvormige brandstoffen; en
ondernemingen die 50 % of meer van hun inkomsten halen uit elektriciteitsopwekking met een broeikasgasintensiteit van meer dan 100 g CO2e/kWh.
C9

Genderdiversiteitsverhouding in bestuursorgaan

Het bestuursorgaan verwijst naar het hoogste orgaan in een onderneming dat besluiten neemt. Afhankelijk van het rechtsgebied waarin de vennootschap zich bevindt en de classificatie van haar juridische entiteit, kan de vorm van het bestuursorgaan variëren.
Op basis van de vereisten in de SFDR wordt de genderdiversiteitsverhouding van het bestuursorgaan berekend als de gemiddelde verhouding tussen vrouwelijke en mannelijke bestuursleden.
Formula

Voorbeeld
Het bestuursorgaan van een bepaalde kmo bestaat uit zes leden, waaronder drie vrouwen. De genderdiversiteitsverhouding is één: voor elk vrouwelijk lid is er één mannelijk lid.

Voetnoten

  1. (1)BKG-protocol. GHG Protocol Corporate Accounting and Reporting Standard – Revised Edition. World Resources Institute en World Business Council for Sustainable Development.
  2. (2)BKG-protocol. GHG Protocol Corporate Accounting and Reporting Standard – Revised Edition. World Resources Institute en World Business Council for Sustainable Development.
  3. (3)SEI en CCAC (2022). A Practical Guide for Business Air Pollutant Emission Assessment. Stockholm Environment Institute (SEI) en Climate and Clean Air Coalition (CCAC).
  4. (4)Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1288 van de Commissie van 6 april 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/2088 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de inhoud en presentatie van de informatie met betrekking tot het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, en tot nadere bepaling van de inhoud, methoden en presentatie van informatie met betrekking tot duurzaamheidsindicatoren en ongunstige effecten op de duurzaamheid en van de inhoud en presentatie van de informatie met betrekking tot het promoten van ecologische of sociale kenmerken en doelstellingen voor duurzaamheidsbeleggingen in precontractuele documenten, op websites en in periodieke verslagen, C/2022/1931, PB L 196 van 25.7.2022, blz. 1.
  5. (5)Voorbeelden hiervan zijn auto’s, particuliere ziektekostenverzekeringen, levensverzekeringen en welzijnsprogramma’s.
  6. (6)Het SBTI bevat ook bronnen voor kmo’s om wetenschappelijk onderbouwde streefcijfers vast te stellen.